Kortverhaal: Verlangen naar een nieuwe morgen

Synopsis: in een fictief land, in een fictieve wereld, leeft er een volk dat zich van alle andere mensen onderscheidt doordat zij in hun slaap de dodenwereld – en tegelijk de bron van alle leven in de fysische realiteit – kunnen betreden. Hákon heeft een universiteit opgericht om dit rijk, dat zij “Phasma” noemen, te onderzoeken. Hij gelooft dat de kennis die daar wordt opgedaan de mens kan helpen om haar eigen bestaan te overstijgen. Op een dag sterft echter een klas van studenten, samen met hun professor. Verlangen naar een nieuwe morgen verhaalt de dag dat de succesvolle Hákon voor het eerst in zijn leven met een echte tegenslag geconfronteerd wordt. En het proberen om te gaan met de doden binnenin zijn eigen universiteit blijkt het minste van zijn zorgen. Want als de avond valt, en hij dichterbij de doodsoorzaak van de slachtoffers komt, wordt het duidelijk dat er iets vreselijk fout aan het lopen is in het schimmenrijk, en dat noch hij, noch zijn collega-professoren een antwoord klaar hebben op de dreiging die in de duisternis van het onbekende schuilt.

I
Ochtend

1

De verschrikkingen die in de nacht loeren zijn het best verborgen in het ochtendgloren van een prachtige lentedag. En hoezeer hij ook beweert geen angst te hebben voor het donker, de mens doet zijn uiterste best om het uit zijn gedachten te bannen, zichzelf hoopvol toefluisterend dat de dag nooit eindigen zal. Echter wordt de lente waarin hij eeuwig hoopt te leven onvermijdelijk weggeblazen om uiteindelijk plaats te ruimen voor de winter, en het leren van deze les begon voor Hákon op het moment dat zijn collega Bernhard aan zijn deur kwam kloppen. “Je moet met de allergrootste spoed naar de universiteit komen,” had hij gezegd. De zweetparels op zijn voorhoofd glinsterden in het zonlicht. Zijn schouders gingen snel op en neer door zijn zware ademhaling. Blijkbaar had hij de hele weg van de campus naar Hákons woning gerend. Niet dat het een pokkeneind was, maar gezien zijn leeftijd en lichaamsbouw was dat toch indrukwekkend te noemen.
+++De gedachte om de prorector wandelen te sturen ging Hákon even door het hoofd. Het was een dinsdagochtend, en de tweede dag van zijn vakantie. Die had hij genomen om tijd door te brengen met zijn vriendin Valeria. Als rector had hij immers zoveel tijd binnen de campusmuren doorgebracht, dat hij het haast een mirakel achtte dat Valeria zijn gezicht nog steeds kon herkennen. Om zijn respect te betuigen aan haar geduld, had hij besloten al zijn activiteiten aan de universiteit voor een paar weken te staken. En gedurende die paar weken, zo had hij zijn collega’s duidelijk gemaakt, was hij er voor niemand. Dus als zijn rechterhand hem zijn huis uit kwam slepen, dan moest daar een verdomd goede reden voor zijn. Hadden ze een doorbraak bereikt in een onderzoek? Aan de verbouwereerde uitdrukking op Bernhards anders immer vrolijke gezicht te zien, durfde Hákon er niet op te hopen. Zelfs Valeria had Bernhards somberheid nauwelijks kunnen doen opklaren. Nadat ze hem begroet had door haar armen rond zijn nek te slingeren, hem op de wang te zoenen en grappend te vragen of “hij toch niet haar vriend nu al van haar kwam stelen”, probeerde Bernhard die warme, diepe lach van hem te lachen. Zijn poging kwam zo gekunsteld over, dat Hákon er ongemakkelijk van werd. En toen Valerias grap een zelfvervullende profetie bleek, verzakte haar gezichtsuitdrukking tot één die je van haar zou verwachten als ze een fopcadeau kreeg, en net de omwikkeling ervan had afgescheurd, alleen maar om te ontdekken dat er niets meer dan waardeloze houtblok onder zat. Tot een grimas van teleurstelling.
+++Hákon keek naar de hanger, die hij in zijn hand omklemde. Een geschenk dat hij net van Valeria gekregen had. Het soort van geschenk dat de inwoners van Alesund elkaar enkel op heel bijzondere momenten gaven. Vervolgens richtte hij zijn blik op, zodat zijn ogen die van Valeria ontmoetten. Zij leunde met de zijkant van haar lichaam tegen de muur. Haar armen waren over elkaar geslagen. Vanuit die positie observeerde zij Hákon nauwgezet, zijn reactie op Bernhards verzoek afwachtend. Met zijn ogen vroeg Hákon haar welke beslissing hij moest nemen. Zij sprak niet. Woorden had ze niet nodig om te vertellen wat zij zeggen wilde.
+++‘Kan het niet wachten?’ vroeg Hákon.
+++Bernhard schudde zijn hoofd. ‘Het spijt mij vreselijk,’ zei hij.

2

Terwijl hij Bernhard probeerde bij te houden, die als een bezetene richting de universiteit beende, prutste Hákon vruchteloos aan het slotje van de hanger. De tijd om het rustig thuis door zijn vriendin te laten vastmaken, zo de traditie vereiste, had hij niet eens genomen. De prorector draaide zijn hoofd om zodat hij het sieraad bekijken kon: twee helften van een zon en een maan, opgesierd met een labyrintisch patroon zonder begin of eind. De schuldbewuste uitdrukking op Bernhards gezicht kon Hákon niet zien. Daarvoor was hij te geconcentreerd op het gevecht tussen zijn vingers en de sluiting achter in zijn nek, die de laatstgenoemde momenteel aan het winnen was. Hákon was een man van vele talenten, maar een hanger vastmaken was daar geen van.
+++Voorlopig wilde Bernhard niet zeggen waarom hij Hákon halsoverkop uit zijn huis gehaald had. ‘Ik ben bang dat onze woorden vleugeltjes krijgen en dan gaan vliegen.’ Zo bang was hij voor de verspreiding van een gerucht, dat hij het woord “gerucht” niet eens in de mond durfde te nemen. Want als het aankomt op het boetseren van verloren woorden in sensationele verhalen, is de menselijke creativiteit waarlijk grenzeloos. Dit kan maar beter waanzinnig de moeite waard zijn, dacht Hákon. Nog zo’n stunt als deze, en hij kon zijn onderkomen mogelijk bij iemand anders gaan zoeken.

3

Aan de westelijke grens van de stad lag er een heuvel, waarop de universiteitscampus gebouwd was. Het was een nieuw gebouw, opgetrokken in de renaissancestijl, waarmee het brak met de overwegend gotische stijl en de oude, overhangende huizen die de rest van de Alesundse hoofdstad domineerde. Klimop kroop omhoog langs de buitenmuren en vormde een boog boven de ingang.
+++Hákon volgde Bernhard over de grindpaden van de binnentuin. Lage beukenhagen scheidden deze van de grasvelden. Enkele esdoorns boden schaduw aan de studenten tijdens de zomermaanden. Hákons favoriete deel van de binnentuin was de enorme, stokoude es, die pal in het centrum stond. Al heel zijn leven lang stond deze stille bewaker op de heuveltop, en het was rondom deze boom dat hij de campus gebouwd had.
+++Vooralsnog was de tuin grotendeels verlaten. In een noordelijk land als Alesund deed het voorjaar er langer over om de winterkoude uit de lucht te blazen.
+++ De vier vleugels die de binnentuin omringden hadden ieder hun eigen invulling. Hákon en Bernhard kwamen van de oostelijke vleugel. Deze was gericht naar de stad aan de voet van de heuvel. Hier bevonden zich het administratieve centrum en de bureaus van de professoren, met die van Hákon op de eerste verdieping, vlak boven de vestibule. In de zuidelijke vleugel, links van hen, werden lessen gegeven en onderzoek verricht. In de noordelijke vleugel, op hun rechterkant, was er een kapel, geflankeerd door bijgebouwen die kunstateliers huisvestten. Oorspronkelijk was Hákon niet van plan opleidingen in de kunsten aan te bieden op zijn universiteit, maar Valeria, zelf kunstenares, had hem kunnen overtuigen van het belang ervan. Het hoogste bijgebouw van de campus, het observatorium, stond in de hoek waar de noord- en oostelijke vleugels elkaar ontmoetten. De westelijke vleugel herbergde buitenlandse studenten op de zolderverdieping. De begane grond en de eerste verdieping waren ingericht als universiteitsbibliotheek.
+++ Naar deze vleugel loodste Bernhard Hákon. Hij zag professor Jostein staan, die de mansbrede trap naar de kelderverdieping blokkeerde, waar Alesundse studenten slaaplessen volgden. Die volgden zij niet om te leren slapen. Nee, want slapen konden zij even goed als jij en ik. Maar wanneer een Alesunder sliep, gebeurde er iets wonderlijks: dan keken zij naar de realiteit waarvan gewone stervelingen als jij en ik niet kunnen terugkeren als wij er aan ons levenseinde heen trekken.
+++ En het was in de universiteit van Lindelheim, hoofdstad van Alesund, waar men onderzoek voerde naar de aard van dit schimmenrijk, dat “Phasma” werd genoemd. Niemand wist waarom de Alesunders dit wel konden, en de rest van de wereld niet. Sommigen dachten dat het kwam door de eindeloze nacht die zij ’s winters moesten trotseren. Dat zij daardoor een manier hadden ontdekt om tijdens hun slaap, om het zo te zeggen, “verder te leven”. De waarheid was dat de Alesunders zelf niet eens wisten hoe zij aan die gave waren gekomen. Tot het ontstaan van de universiteit van Lindelheim waren de Alesunders als het op geschiedschrijving aankwam werkelijk een belabberd volk.
+++ Jostein zag de twee naderen en zette prompt een stap opzij. Hákon kon zijn nieuwsgierigheid niet meer bedwingen. Niet langer gehinderd omdat zijn vingers de strijd met het slotje van zijn hanger ten langen leste gewonnen hadden, draafde hij de plompe prorector voorbij en daalde als eerste de trap af. Hij wist dat hij zich op het ergste kon voorbereiden toen hij in de hal professor in de Geneeskunde, Arnaud Dumortier, en zijn assistenten één van de lokalen druk in en uit zag lopen. Zijn draf versnelde tot rennen. En kwam abrupt tot stilstand nadat hij de drempel van het lokaal overschreden had.
+++Een bepaald soort afgrijzen viel als een blok op Hákons maag, gepaard met een gevoel van vervreemding dat je krijgt wanneer je geconfronteerd wordt met een realiteit die je niet bereid bent te aanvaarden. Op zich zag alles er volstrekt normaal uit: mensen lagen knus ingepakt onder de dekens in bedden die in een kring stonden opgesteld. Maar Hákon had in één oogopslag gezien dat er juist helemaal niets normaal aan het tafereel was. De mensen die in die bedden lagen, wel, die sliepen namelijk niet. Of althans niet meer. Dat er af en toe wel eens lijken op de campus aanwezig waren, wist hij. Maar die lijken bevonden zich altijd in het onderzoekslokaal van Dumortier. En dat lokaal bevond zich op een andere verdieping, in een andere vleugel. In deze vertrekken hoorden de doden niet aanwezig te zijn. (En goeie god, dat zijn toch geen jongeren die daar liggen?) Meteen weerde Hákon een opwellende toevloed aan emoties af, zodat hij zijn analytisch brein alle ruimte kon laten om zo doelgericht mogelijk te werken. Want hij begreep dat het zijn plicht was om te helpen, niet enkel in het belang van zijn collega’s, maar ook – en vooral – ter wille van de overledenen. Daarom deed hij diametraal het tegenovergestelde van wat zijn gevoelens hem probeerden in te geven: hij stormde de kamer in om de waarheid die hij eigenlijk niet wilde zien onder ogen te komen.

4

Hákon dwong zichzelf de overleden studenten aan te kijken tot hij elke lijn, elke groef van hun gezichten gememoriseerd had. Zestien mensen waren afgelopen nacht in dit lokaal gestorven: vijftien studenten en professor Alfred, die deze eerstejaarsstudenten onderwees in de Inleiding tot de zielenkunsten. Allemaal op exact hetzelfde tijdstip. Iedere verklaring vertrekkende vanuit het rijk van de levenden – de tegenhanger van Phasma die de Alesunders “Materia” noemden – was ontoereikend om dit collectief sterven te verklaren. Professor Dumortier, afkomstig uit het zuiden, was afgelopen ochtend er nog niet in geslaagd een mogelijke doodsoorzaak te bepalen. Er waren geen sporen van geweld. De haard hadden ze niet aangestoken. Verstikking was dus uitgesloten. Vergiftiging dan? De lichamen lagen er te vredig bij. Ze hadden geen doodsstrijd gevoerd, zoveel was zeker. En het idee dat ze met zijn allen plotseling gestorven waren aan een ziekte, of hart- of hersenfalen, was ronduit potsierlijk.
+++ ‘Ik heb al veel verhalen gehoord over mensen die in vreemde omstandigheden sterven, maar niets wat hierop lijkt,’ zei Dumortier. ‘Opmerkelijk wel dat het uitgerekend jullie Alesunders is overkomen.’
+++ ‘Suggereert u dat we de doodsoorzaak in Phasma moeten gaan zoeken?’ vroeg Hákon.
+++ ‘Ik weet natuurlijk niets over die spookwereld van jullie, mossieu, maar op dit punt wil ik dat niet uitsluiten.’
+++ ‘Magnus en Liesel zijn er al heen gegaan om zielen van de overledenen op te sporen,’ zei Bernhard. ‘Mocht het zo zijn, dan zullen we het gauw weten.’
+++ Het gesprek dat Dumortier en Bernhard met elkaar begonnen ging aan Hákon voorbij. Een wezenloos gevoel verdoofde hem. Het reduceerde de stemmen van zijn collega’s tot achtergrondruis. Deernis overweldigde hem terwijl hij de jongeren aankeek. Zij hoorden buiten te zijn, onder de zon met hun vrienden pratend, plannen smedend voor hun toekomst. Zij hadden nog zoveel dromen te vervullen en de wereld nog zoveel te geven, en dat alles was hun in slechts één nacht tijd afgenomen. De verstarring van hun gezichten tot roerloze maskers die nooit meer zouden lachen, huilen, liefhebben en kwaad worden, vond Hákon een ontwijding die geen enkel mens waardig was, laat staan een kind. Nooit had hij verwacht dat een drama van zulke orde zich zou voltrekken binnen de muren van de universiteit die hij zelf gesticht en geleid had. Gedurende die veertien jaren was zo’n mogelijkheid niet eens in hem opgekomen. En plots stond hij hier dan, voor zestien doden. Wat de oorzaak hiervan ook wezen mocht, Alfred, de directe verantwoordelijke voor deze studenten, was eveneens gestorven. Dus het gewicht van de eindverantwoordelijkheid hiervoor landde als een grote, volgestouwde linnen zak die vanop een grote hoogte naar beneden werd gekeild op zijn schouders. Een plan van aanpak had hij niet. Niet hiervoor, alleszins. Het beste wat hij nu kon doen was improviseren en hopen dat de beslissingen die hij de komende uren zou nemen de juiste zouden zijn. Hij haalde zijn hand over zijn gezicht, alsof hij de kleppen van zijn ogen probeerde te vegen, in de hoop zo tot inzicht te komen over hoe hij deze situatie het best kon aanpakken.
+++‘Bernhard, schaf alle lessen af die de studenten in Phasma moeten volgen,’ zei hij, ‘maak Magnus en Liesel wakker, en stuur hen naar mijn bureau.’
+++‘Natuurlijk,’ zei Bernhard, en beende de kamer uit.
+++Hákon richtte zich tot de arts.
+++‘Professor Dumortier, haal uw assistenten om de lichamen uit de bedden te verwijderen en laat iemand de lakens vervangen.’
+++‘Onmiddellijk, mossieu,’ zei Dumortier, en ook hij verliet het lokaal.
+++Nu hij alleen was, overzag hij het macabere schouwspel van de bedden met daarin de dode studenten. Hij kon er niet omheen dat hij bij het aanschouwen van het lichaam van professor Alfred een opflakkering van woede voelde. Al vanaf hun kinderjaren begonnen Alesunders Phasma te verkennen tijdens hun slaap. Het schimmenrijk was als een spiegelversie van Materia; de structuur van zowel natuur als gebouw bleef volstrekt ongewijzigd. Daarom kon je in Phasma onmogelijk verdwalen, zolang je maar de weg in de wereld van de levenden kende. En zelfs als dat gebeurde, dan was het doodeenvoudig om wakker te worden door het simpelweg te verlangen of, uiteraard, door wakker gemaakt te worden. Hákon vroeg zich af waarom dit niet was gebeurd. Theoretisch gezien was het natuurlijk mogelijk om te sterven doordat de ziel te lang uit het lichaam verwijderd bleef, ja, maar zoiets toelaten getuigde van verregaande, zelfs onvergeeflijke nalatigheid. Hoe kon iemand met Alfreds expertise zo’n basale oefening in hemelsnaam zo laten mislopen? Mocht Hákon Alfreds ziel tijdens zijn omzwervingen doorheen Phasma tegenkomen, dan zou hij hem postuum op staande voet ontslaan, ten eerste uit principe, en ten tweede om zeker te zijn dat het Alfred voor eens en altijd duidelijk zou wezen dat Hákon zulke onkunde aan zijn universiteit niet tolereerde.
+++De gedachte dat Hákon dit had kunnen voorkomen door zelf aanwezig te zijn in het gebouw probeerde hij zo snel mogelijk te verdrukken, want het verergerde enkel zijn frustratie. En daarbij was die gedachte een leugen. Zelfs als hij hier was geweest, dan was het nog steeds onwaarschijnlijk dat hijzelf de dood van deze mensen had kunnen voorkomen, domweg omdat hij zich met andere zaken zou hebben bezig gehouden, in plaats van zich te bemoeien met de lessen van zijn collega’s. Hoe hij het draaide of keerde, niets kon hem doen ontsnappen aan de opdracht die hem nu te wachten stond: de naasten van de studenten en Alfred op de hoogte brengen van hun overlijden. Een vooruitzicht waarbij zijn hart ineen kromp. Wat nu van het allergrootste belang was, was dat zij allen hierover officieel geïnformeerd zouden worden, en wel zo snel mogelijk, zodat ze het tenminste niet via een gerucht hoefden op te vangen. Bernhard had verdorie gelijk, met zijn wegvliegende woorden. In zijn hoofd maakte hij de rekensom. Zestien gezinnen, een gesprek van een half uur tot een uur. Het roofde sowieso te veel tijd. Bovendien geloofde hij niet dat hij het emotioneel aankon om zestien maal achter elkaar mensen te moeten informeren dat hun naasten waren heengegaan en telkens toekijken hoe hun wereld in elkaar stortte. Hun aanschrijven, en in de brief een persoonlijk gesprek op een af te spreken tijdstip beloven. Dat is voorlopig de snelste en meest efficiënte manier.
+++Hij draaide zich naar de deur om de kamer te verlaten. Nadat hij daartoe aanstalten had gemaakt, bleef hij nog even staan. Verroerde zich niet. Probeerde de atmosfeer in de kamer in zich op te nemen. Er klopte iets niet. Hákon kon zich niet van de indruk ontdoen dat alles in deze ruimte, de lucht, zelfs de vloer waarop hij stond, ijler was dan gewoonlijk. Alsof in deze kamer de grens tussen Materia en Phasma fragieler was geworden. Maar als dat zo was, zo redeneerde hij, zelfs als zoiets mogelijk was, dan had hij het licht en de geluiden die typerend aan Phasma waren doorheen de grens van die realiteit moeten zien en horen sijpelen. Nochtans was het donker, afgezien van het kaarslicht. En stil. Doodstil. Onnatuurlijk stil. Een rilling ging door hem heen alsof een ijskoude vinger over zijn ruggengraat gleed. Hákon besloot het van zich af te zetten en zich naar zijn bureau terug te trekken.
+++De verklaringen van Magnus en Liesel zouden wellicht voor verheldering zorgen.

II
Middag

1

Hoe schrijf je een brief waarin je iemand vertelt dat ze hun zoon of dochter niet meer levend zullen terugzien? Erger nog, dat hun dood onder jouw eigen verantwoordelijkheid valt? Nadat hij een aanhef had geprobeerd, doorstreepte Hákon deze, en gebruikte de rest van het perkament als klad, dat in geen tijd vol doorgehaalde zinnen stond. Hij probeerde bepaalde stukken uit eerdere pogingen met elkaar te combineren tot een beter geheel, doch hij slaagde er niet in een tekst te verzinnen die hem tevreden stelde. Gebruikte hij die onvrede over zijn schrijven misschien als excuus om de brieven niet te hoeven afwerken? Uit angst om onder ogen te moeten zien dat hij voor de eerste maal in zijn leven geconfronteerd werd met een situatie die hij niet onder controle had? Dat deze brieven eigenlijk een biecht van zijn eigen falen waren? Kermend van frustratie sloeg Hákon zijn ganzenveer neer op zijn bureau. Hij ondersteunde zijn hoofd met de ene hand, terwijl hij met de vingers van de andere op het tafelblad tokkelde, alsof het ritme ervan zijn denkvermogen stimuleren kon.
+++De linnen zak die eerder op zijn schouders terecht gekomen was en hem neerdrukte gleed van hem af toen hij op de dubbele deur van zijn bureau de langzame en zelfverzekerde bonken hoorde, die hij als die van Magnus herkende.
+++‘Ha, die Magnus,’ zei Hákon, terwijl Magnus naar binnen schreed. Een grote, magere verschijning, met voorover gebogen schouders, wiens huid tegen zijn donkere haren eens zo bleek afstak. Het uiterlijk van iemand die zijn leven had verdronken in boeken en geschriften. Toen hij begon te klagen dat zijn zicht slechter werd – allicht het gevolg van zijn blik te veel te fixeren op teksten vanop korte afstand – had Hákon hem verplicht om minstens driemaal per dag naar het observatorium te gaan, zodat hij daar zijn ogen kon ontspannen door in de verte te turen. Dat, en zodat er beweging in deze man kwam, opdat hij een steviger gestel zou kweken. Hákon werd namelijk een tikje griezelig van zijn broze lichaamsbouw, want hij verwachtte half dat Magnus in duizend stukken zou breken, mocht hij op een kwade dag struikelen en vallen.
+++‘Liesel is er niet bij?’ vroeg Hákon.
+++‘Liesel wilde onmiddellijk aantekeningen maken, zodat de herinneringen aan haar observaties zo onaangetast mogelijk bleven’, zei Magnus.
+++Om die reden was Hákon Liesel heel genegen. Je kon haar niet vertellen wat zij moest doen. Zij trok zich niets aan van de mening van anderen en deed wat zijzelf het beste achtte. In alle andere gevallen zou Hákon van zulke personen de muren oplopen. Van Liesel verdroeg hij het, omdat zij steengoed was in alles wat zij deed.
+++‘En hoe zit het met de gestorvenen?’
+++‘Wij, euh… Wij hebben hen niet gevonden.’
+++Opnieuw voelde Hákon een steek van woede. ‘Hoe bedoel je je hebt hen niet gevonden?’
+++‘Het is erg vreemd. Wij hebben de hele campus uitgekamd, zonder resultaat. Natuurlijk waren wij in de veronderstelling dat ze nog steeds in het lokaal waren, maar…’ In plaats van zijn zin af te maken, slaakte Magnus een zucht en leunde hij met zijn handen op Hákons bureau.
+++‘Maar wat?’
+++Magnus liet zijn hoofd hangen, zoekend naar de woorden om te vertellen wat hij wilde zeggen. ‘Wel, de vloer daar is verdwenen. Weg! Een gat, dat is het enige wat er nog overblijft. Liesel en ik hoopten dat ze misschien het lokaal op tijd verlaten hadden…’ Opnieuw wikte hij zijn woorden. ‘We vrezen, in het ergste geval, dat ze erin zijn gevallen.’
+++Hákon fronste zijn wenkbrauwen. ‘Nochtans was er een vloer toen ik daarstraks ging kijken.’ Hij klonk bijna spottend, zo hecht waren zijn woorden van scepticisme doorvlochten.
+++‘In Materia wel, ja.’ Magnus klonk geagiteerd. ‘In Phasma lijkt het alsof er één groot niets is ontstaan.’
+++Hákon begon bijna automatisch een stelling op te dreunen die hijzelf jarenlang aan talloze studenten onderwezen had: ‘Magnus, vanuit Phasma kan inhoud eigen aan Materia niet zomaar weggehaald worden. De nevel die de basis van het schimmenrijk vormt en de materie die het rijk der levenden opbouwt bevinden zich elk in twee afzonderlijke lagen van de realiteit die
+++‘Die niet rechtstreeks op elkaar kunnen inwerken, en toch is die vloer daar verdwenen, zeg ik u!’
+++In wat een schier oneindig moment leek, kon men het schuifelen horen van rondwandelende mensen in de omringende kamers en hallen. Het ploffen van geschriften die op een tafel gekwakt of in een kast gepropt werden. Stoelen die over de vloer krasten. Stemmen, gedempt door de stenen muren. In Hákons bureau was alle geluid verdwenen.
+++‘Ik geloof niet dat iemand in deze universiteit ooit een hypothese heeft opgeworpen waaruit zoiets mogelijk blijkt, klopt dat?’ vroeg Hákon, ‘of ben ik nu al seniel aan het worden?’
+++‘Nee, het klopt. We kijken aan tegen een maagdelijk fenomeen,’ zei Magnus, ‘en zoals dat altijd met zulke dingen gaat, kunnen we op voorhand dus onmogelijk zeggen of we er plezier aan zullen beleven, of het zullen haten.’
+++‘Ik moet dit met mijn eigen ogen zien.’ Hákon gebaarde naar vier ligstoelen, opgesteld in een cirkel in een hoek van het vertrek. Magnus nam plaats op de comfortabele kussens en sloot zijn ogen. Hákon schoof zijn bureaustoel naar achteren zodat hij kon doorzakken, en sloot de zijne. Het voelde alsof een onzichtbare hand zijn bewustzijn vastgreep en het bliksemsnel meesleurde in een onmetelijke diepte. Het duurde nog geen seconde, maar het was een sensatie waarvan Hákon zich niet kon voorstellen dat hij het ooit beu zou worden.
+++ Nadat het gevoel was weggeëbd, opende hij zijn ogen, en zag een wereld waarin zelfs de donkerste hoeken vervuld waren van licht, met kleuren rijk en levendig.

2

Overal zwermden duizenden twinkelende lichtjes, net minuscule sterren: de zielen van insecten, of zelfs diertjes die men met het blote oog in Materia niet kon waarnemen, als waren ze allemaal in vuurvliegjes veranderd wiens licht nooit uitdoofde.
+++ Hákon stond op, en stapte weg van zijn stoffelijk lichaam, dat in Phasma eruit zag als een donkere schim. Naast zijn bureau wachtte de ziel van Magnus. Het zag er weinig anders uit dan zijn lichamelijke uiterlijk, op het zwakke lichtschijnsel die zijn contouren omwikkelde na. Samen verlieten ze Hákons bureau, die uitkwam op een galerij die de lengte van de oostelijke vleugel overspande. Deze galerij bood over de binnentuin een uitzicht, op zich al prachtig in Materia, en geheel magisch in Phasma. De bomen zagen eruit als lichtbakens, een microkosmos uitstulpend van leven. Vooral de grote es maakte indruk. Zoveel zelfs dat Hákon regelmatig de deuren van zijn bureau opzettelijk open liet staan toen hij naar Phasma afdaalde, zodat hij er zoveel mogelijk naar kon kijken.
+++ Elke centimeter van de vloer werd bekleed met een nevel, een massa van ongevormde zielen waaruit lichtdeeltjes afsplitsten om zich in nieuwe lichamen te nestelen van zodra deze in Materia gecreëerd werden. En zoals alles wat leefde een eigen stem had, zoals het gefluit van vogels of het gezang van walvissen, zo bracht de nevel haar eigen geluid voort; zacht, maar rijk in textuur en consonant, en fluisterde het zo een nooit eindigend lied. De ironie was Hákon niet ontgaan dat men soms naar Phasma verwees met woorden als “de dodenwereld”, terwijl in vergelijking het juist Materia was wat hem doods aandeed.

3

Hákon en Magnus gingen via de binnentuin naar de kelderverdieping. Inmiddels waren enkele studenten naar de tuin afgezakt om in de voorjaarszon te baden. Hun donkere, doorzichtige materiële omhulsels werden verlicht door hun zielen, amorf en langzaam door de lichamen heen pulserend. Sommige van deze zielen bewogen heel erg druk heen en weer, net of zij aan het dansen waren. Een teken, zo had Hákon geleerd, dat deze mensen zich gelukkig voelden.
+++Ook al had hij jarenlang niet meer onderwezen, hij wist beter dan om het even welke professor wat er in zijn studenten omging, wat hun innerlijke engelen en demonen waren. Je had twee soorten leiders: zij die hun organisatie vanuit een toren leidden. Afstandelijk, onzichtbaar voor degenen met wie persoonlijk contact geen absolute vereiste was. De anderen waren zij die te midden van hun mensen stonden en met hen mee aan de kar trokken. Hákon behoorde tot die tweede groep. Regelmatig was hij buiten zijn bureau te vinden, een praatje makend met willekeurige studenten die zijn pad kruisten. Het was zijn manier om in tijden van overweldigende drukte te ontspannen. Door zoveel met anderen bezig te zijn, had hij ook geleerd dat als hij een ziel zag die bevroren leek, alsof het zich niet durfde te roeren, die persoon hoogstwaarschijnlijk de behoefte had om gevraagd te worden of alles wel goed met hem ging. Hij beschouwde zijn universiteit als een schip waarmee hij in onbekende wateren voer, en hij maakte er een erezaak van iedereen die mee wilde aan boord te houden. Zelf was hij hiervan totaal in het ongewisse, maar ondanks dat hij zelf geen kinderen had – momenteel was hij met Valeria daar werk van aan het maken – refereerden de studenten naar hem niet als de rector, maar als de papa van de universiteit.
+++Hij bekeek aandachtig alle aanwezigen in de binnentuin en zag tot zijn opluchting niemand aan wie hij straks zou moeten vragen of alles wel goed met hem ging.

4

De kelderverdieping oogde een stuk akeliger nu de duizenden dwergzonnetjes verdwenen waren. Net of ze allen waren weggevlucht. Zorgwekkender vond Hákon dat zelfs de nevel in deze vertrekken grotendeels was opgelost. Want als er geen nevel was, dan kon er geen nieuw leven gecreëerd worden. De afwezigheid ervan liet de omgeving niet alleen achter in duisternis, maar ook in stilte. Hier werd het lied van Phasma niet langer gezongen. De kelderverdieping leek nu eerder op de ingewanden van een ziek geworden dier, een kadaver van hallen, deuren, pilaren en gewelven. En toen zag Hákon het lokaal waar zijn studenten gestorven waren. Het plafond was intact, de muren waren aanwezig. Echter hadden de vloer en alle meubelen die erop stonden, inderdaad, plaats gemaakt voor een afgrond, zo volmaakt in de duisternis dat Hákon een stroomstoot van angst – bijna paniek – door zijn ziel voelde gaan terwijl zijn verstand worstelde om begrip te maken van wat het niet bevatten kon. Magnus wachtte geduldig tot Hákon bedaard was vooraleer hij zijn uitleg begon.
+++‘Gisteren, voordat Alfred en zijn studenten hier kwamen, had ik in dit lokaal zelf nog lesgegeven,’ zei hij. ‘Dit gat is hier dus hoogstens in enkele uren tijd ontstaan.’
+++‘Heel plots, en schijnbaar zonder waarschuwing,’ vulde Hákon aan. ‘Noch Alfred, noch de studenten hadden hier enig benul van. Ze zijn in de bedden gaan liggen, en van zodra hun zielen uit hun lichaam traden, vielen ze prompt het gat in. Vervolgens zijn de lichamen door de afwezigheid van de ziel afgestorven.’
+++Hij aarzelde even.
+++‘…En is het dan dom, Magnus, om af te vragen waarom zij niet besloten hadden om terug wakker te worden? Mocht ik in een put als deze vallen, ik zou als de gesmeerde bliksem maken dat ik uit zo’n nachtmerrie ontwaakte.’
+++‘De enige reden waarom dat niet is gebeurd, is simpelweg omdat ze dat door omstandigheden niet konden.’
+++Hákon keek Magnus aan. In elkaars blikken lazen ze dezelfde vragen, dezelfde afwezigheid van antwoorden of verklaringen, dezelfde onrust die hun gebrek aan kennis teweeg bracht. Hákon streek met zijn hand de onzichtbare oogkleppen van zijn gezicht af. ‘Hoe diep is dat ding? Is er iemand die het kan meten?’
+++‘Liesel had een klein stukje van haar ziel afgeschraapt en in het gat gestrooid om een schatting te maken. Het bleef vallen tot we het niet meer zagen,’ zei Magnus.
+++‘Heb je geprobeerd om je licht erin te schijnen?’ vroeg Hákon.
+++‘Ja, maar mijn talent is niet sterk genoeg om het te verlichten.’
+++‘Laat zien.’
+++Magnus zuchtte en strekte zijn arm uit over de put. Zijn ziel werd op verscheidene plaatsen helderder, als een aura dat krachtiger werd. Doch nergens werd dat licht zo fel als in zijn handpalm, waarmee hij als een lamp over de afgrond scheen. De gewelven lieten hun rondingen zien, de muren gaven de textuur van natuursteen prijs. Daarentegen bleef de afgrond onaangetast in zijn duisternis. Magnus liet zijn arm vallen als een vod die de strijd met de zwaartekracht verloor. Hákon was de enige bij wie hij het vertonen van zijn zielenkunsten ervoer als een oefening in schaamte.
+++‘Ik zei het u, mijn zieltalent is niet sterk genoeg.’
+++Hákon sprak niet, maar reikte zijn hand uit en legde deze op Magnus’ ziel. Ditmaal was het Hákon die oplichtte, een aura dat perfect de contouren van zijn lichaam omkranste en vele malen helderder was dan die van Magnus. En door hem aan te raken vloeide het licht over in Magnus, tot hij er geheel van vervuld was.
+++‘Laat nog eens zien.’
+++Opnieuw strekte Magnus zijn arm uit. Het licht dat in zijn handpalm ontstond was nu zo verblindend dat hij vloekend zijn gezicht afwendde. Om voor zich uit te kunnen kijken, moest Magnus zijn arm boven zijn hoofd tillen. Zijn hand was niet langer als het een lamp, het was net of hij er de zon in droeg. En zelfs in weerwil van dit licht weigerde de afgrond zijn diepzwart te laten doorprikken.
+++‘Ik geloof niet dat ik in vrede zal slapen voordat wij weten hoe we de slachtoffers daar uit kunnen halen,’ zei Hákon.
+++‘U zult nog lang rusteloos blijven, in dat geval.’
+++Hákons mondhoeken vertrokken, alsof hij een grimas probeerde te onderdrukken.
+++‘Valt het te vrezen dat er nog zo van die gaten op andere plekken kunnen verschijnen, denk je?’ vroeg hij.
+++‘Tjaaa,’ blies Magnus, ‘wij hebben totaal geen gegevens over fenomenen als deze, dus dan is het ook onmogelijk om voorspellingen te kunnen doen.’ Hij keek Hákon recht in de ogen. ‘Maar als ik u was, dan zou ik deze situatie met het grootst mogelijke pessimisme benaderen.’
+++Hákon wendde zijn blik af, en knikte.
+++‘Laten we terug ontwaken, Magnus. Ik denk dat vanaf nu iedere seconde goud is.’
+++Even werd alles zwart voor zijn ogen. Hij voelde zich alsof hij uit diepe wateren naar het oppervlak getrokken werd. Geen tel later opende hij zijn ogen, en zat hij terug in zijn bureaustoel, weergekeerd naar het de rijk der levenden.

III
Avond

1

Zoals een dirigent een orkest bespeelt om diens interpretatie van een compositie uit te voeren, zo bracht Hákon de universiteit in beweging om een herhaling van het drama van afgelopen nacht koste wat kost te voorkomen. Hij stuurde Magnus erop uit om alle recente aantekeningen van iedereen die Phasma had bezocht bij elkaar te verzamelen. Deze moesten door alle professoren grondig bestudeerd worden, op zoek naar verborgen signalen die het openen van de afgrond aankondigden. Ook zijn persoonlijke collectie stelde hij ter beschikking. De opschorting van lessen liet hij uitbreiden naar alle activiteiten op de universiteit, en dit voor onbepaalde tijd. Hákon wilde voor het einde van de dag iedereen de campus uit.
+++‘Wat met de buitenlandse studenten?’ vroeg Bernhard, die ondertussen naar zijn bureau was gekomen, ‘zij hebben geen opvang buiten de universiteit.’ Tja, dan moest de universiteit hun maar een verblijf in een herberg betalen. Of hen bij gastgezinnen plaatsen. Voor Hákon maakte het niets uit. Iedereen moest eruit en zij vormden geen uitzondering.
+++Bernhard daarentegen redeneerde dat de zielen van niet-Alesunders te vast verankerd waren in hun lichamen om Phasma te kunnen betreden. Dat zij daarom onmogelijk in de afgrond konden vallen, indien er vlak onder hen één opende. Hákon wilde er niets van weten. Het was al erg genoeg voor de reputatieschade van de universiteit dat studenten van eigen bodem waren omgekomen. Dat de zielen van deze slachtoffers nog eens onvindbaar waren tilde het drama naar een geheel nieuw niveau (hoe krijg ik dit in godsnaam aan hun ouders uitgelegd?), want hiermee werden hun naasten tot overmaat van ramp de mogelijkheid ontzegd om het afscheidsritueel van de overledenen te voltrekken, voordat hun zielen opnieuw één werden met de nevel om geboorte te geven aan een nieuwe levensvorm.
+++Mochten er door gelijkaardige omstandigheden buitenlandse studenten omkomen – god nog aan toe – dan zou in één ruk de reputatie van heel Alesund en haar bevolking besmeurd raken, dat nu al door buurlanden meer in de regel dan uitzonderlijk geschuwd werd omwille van hun “interesse in hekserij”, of “de allicht bedenkelijke ingrediënten die zij aan hun maaltijden toevoegden waardoor ze zich de duivel mag weten wat hallucineerden”. Hákon had zich nooit de moeite getroost de legitimiteit ervan na te trekken, maar ooit had hij eens opgevangen dat een gerucht de ronde deed dat drugtoerisme de hoofdzakelijke drijfveer was van buitenlandse jongeren om naar de universiteit af te zakken. De waarheid was dat de universiteit van Lindelheim populariteit in het buitenland genoot omdat ze als eerste in de wereld een eigen campus had; hier hingen professoren niet langer af van openbare plaatsen of zelfs hun eigen woningen om hun lessen te organiseren. Bovendien was de concentratie van experts in zoveel disciplines in één gebouw een zegen voor de inspiratie.
+++In ieder geval was het huisvesten van de buitenlandse studenten geen optie. Bernhard kon zo hard tegenpruttelen als hij wilde, opvangplaatsen zoeken en vinden ging hij.
+++Tenslotte wilde hij om klokslag vijf uur alle studenten in de binnentuin verzameld hebben, om hen op de hoogte van de situatie te brengen. Onmiddellijk daarna werd al het onderwijzend personeel in zijn bureau verwacht. Dan zou Hákon hun de laatste aanwijzingen geven alvorens de campus te sluiten.
+++Daarmee had hij nog iets meer dan drie uur de tijd om de overlijdensberichten af te werken. Deze wilde hij absoluut afgeleverd hebben voordat de massa studenten de universiteit zou verlaten.

2

Maar omdat de vertwijfeling over de inhoud van die brieven opnieuw toesloeg, besloot Hákon eerst literatuur uit zijn eigen bibliotheek voor zijn collega’s klaar te leggen. Inspiratie dwing je tenslotte niet. Het zijn donderslagen bij heldere hemel, die geheel naar eigen believen komen. Misschien vonden zijn hersenen de juiste verbindingen indien hij zich even niet liet opfokken door zijn faalangst. Hij ging naar zijn boekenkasten, en haalde daar willekeurige verhandelingen en boeken over Phasma uit. Alles wat in zijn handen terechtkwam, doorliep hij vluchtig. Sommige werken belandden dan terug op de planken, anderen kwamen op zijn bureau terecht. Geschriften vormden perkamenten torens op het tafelblad. Goed verstopt in een stoffig hoekje van één van de kasten vond Hákon de allereerste ongebonden verhandelingen, die hijzelf geschreven had gedurende de vroegste jaren van de universiteit. Nieuwsgierig en gegeneerd tegelijkertijd nam hij zijn eigen werk door. Lieve help, heb ik dit ooit geschreven? De pompeuze arrogantie die de toon van zijn tekst zette zou niet half zo beschamend zijn geweest mocht hetgeen hij had neergeklad tenminste feitelijk correct zijn.
+++Hij schrok zich zodanig te pletter dat hij de verhandelingen uit zijn handen liet vallen toen Liesel de deur van zijn bureau opensmeet en naar binnen marcheerde met een stapel perkamenten in haar handen. Haar gezicht rimpelde, haar opgestoken haren vergrijsden, maar nog steeds had zij de vitaliteit van een twintiger.
+++‘Zo, sinds wanneer heb jij een slecht geweten?’ zei ze, kijkend naar hem, en de chaos van losse vellen die hem omringde. ‘Zal ik je daarmee even helpen?’
+++‘Neenee, ik ruim het zelf wel op, zo’, zei Hákon iets te vlug. Met de wangen die hij op dat moment had kon hij mogelijk een hele winter uit de campus verdrijven.
+++Liesel zocht tussen de boekentorens op Hákons bureau een landingsplaats om haar eigen stapel neer te kwakken.
+++‘Ziezo, ik heb je een verslag geschreven van alles wat wij…’ begon ze, tot haar ogen naar Hákons hanger afgleden.
+++‘…O, is dat een Alesundse knoop? Wat verrukkelijk toch! Is het er eindelijk van gekomen?’ Ze liep naar hem toe.
+++‘Het is misschien niet het meest gepaste moment, maar laat me jullie alvast feliciteren!’ Ze greep hem bij de schouders en gaf hem drie kussen op de wang. ‘Wanneer staat de grote dag gepland?’
+++‘Nog niet,’ stamelde Hákon, overdonderd door haar enthousiasme. Hij ging naast zijn bureau staan. ‘We hadden zelfs geen tijd om iets tegen elkaar te zeggen.’
+++‘O, wat jammer. Kun je niet beter naar haar teruggaan? Je hebt het belangrijkste hier toch al gezien. Je hebt ons verteld wat te doen. Wij kunnen onszelf verder heus redden, hoor,’ zei ze. Hákon schudde zijn hoofd. Het waren vreemde wateren waardoor zijn schip voer. Verraderlijke rotsen staken overal bovenuit. Met de minste onvoorzichtigheid konden ze er wel eens op knallen, en dan was het feest afgelopen.
+++‘De universiteit is in crisis. Wat voor leider ben ik als ik hiervan wegloop?’ Hij gebaarde naar de brieven die voor hem lagen. ‘Trouwens, dit hier moet echt geregeld worden.’
+++‘Waar ben je mee bezig, brieven schrijven? Ik help je wel als je wilt.’
+++Hákon knikte dankbaar, en samen gingen ze aan zijn bureau zitten. Liesel nam zijn geklieder bij de hand en begon de sterke stukken van de zwakkere te onderscheiden. Een kwartier later hadden ze een basistekst om mee te werken. Een uur later waren de brieven klaar. Liesel verzamelde ze bij elkaar en draafde de kamer uit om ze op te sturen. Voordat ze de deur helemaal achter zich dichttrok, draaide ze zich naar Hákon. ‘Ga naar Valeria toe. Er is momenteel toch niets meer dat je nu kunt doen.’
+++Het leek hem een uitstekend idee. Immers voelde hij de grootste behoefte om haar in de armen sluiten en nooit meer los te laten. Maar juist die behoefte voelde op een manier smerig. Hij was bang dat hij begon over te komen als iemand die zijn relatie louter zag als een voor de hand liggende dumpplaats waarin hij even zijn affectie kwijt kon van zodra zijn leven daarbuiten hem te netelig werd. De enige zegen die hij had, was dat hij tenminste een aanvaardbare reden had om van de dag van hun verloving weg te wandelen. Natuurlijk had hij liever geen enkele reden gehad. Sommige van de overleden studenten kende hij verdomme bij naam. Zoals Iselin, een klein tenger meisje, dat Hákon was opgevallen omdat zij één van de mensen was met een stilzittende ziel. Ze kende haar zieltalent niet, wat haar enorm onzeker maakte. “Aan mijn keel licht het wat op, en verder niets,” zei ze. Haar ouders hadden haar naar de universiteit gestuurd om haar gave te ontdekken, zodat ze de familie-eer in stand kon houden. Zo klein, dat ze het liefst van al helemaal wilde verdwijnen, voelde ze zich, tussen al deze studenten die geen enkele moeite deden om hun talenten voor zichzelf te houden. Uiteindelijk waren de beginnende studenten bijna allemaal pubers. Weliswaar was die puberteit bijna achter de rug, maar niettemin waren ze nog steeds pubers. En die moesten zichzelf koste wat kost aan alles en iedereen bewijzen.
+++Terwijl hij met haar sprak, merkte Hákon de rijke klank in haar stem op, en legde het verband met de oplichting rond haar keel waarover Iselin sprak. Hij vertelde haar dat een zieltalent zich niet altijd zichtbaar openbaarde, maar soms tot subtielere uitingen kwam. Hij raadde haar aan les te gaan volgen bij Battista Fiorentino, professor in de Muziektheorie en hoofd van het universitair koor. Enkele dagen later hoorde hij de professor vertellen dat gisteren een eerstejaarsstudente zich bij zijn koor had gevoegd, en dat hij haar apart had genomen omdat zij over zo’n bijzondere stem beschikte. “Geef mij enkele maanden en ik zorg ervoor dat dat meisje mensen tot tranen toe beweegt,” had hij gezegd.
+++Hákon had Iselin sinds die ene keer niet meer gesproken, maar telkens ze blikken kruisten zwaaide ze naar hem. Ze straalde. Binnenin haar begon haar ziel te dansen. En nu was ze dood. Opgeslokt door een eindeloze leegte. Hákon sloeg met zijn vuist op het tafelblad, zo’n rotklap dat enkele boekentorens instortten en inktspatten uit het potje opsprongen en alles wat er in de nabijheid van stond onderkliederde. Ook Liesels aantekeningen werden niet gespaard. Vuur schroeide de zenuwen in zijn hand weg tot het gevoelloos werd.
+++Om zijn geest af te leiden schoof hákon de aantekeningen naar zich toe. Met een doekje probeerde hij de gemaakte vlekken zoveel mogelijk weg te deppen en begon te lezen. Hij kwam niet meer van zijn bureau vandaan. Iets onweerstaanbaars dwong hem te blijven. Uiteindelijk verzonk hij in lethargie, als een uitgewoonde oude man die helemaal op het einde tot het besef kwam dat verdergaan geen zin meer had. En voor hij het wist, overheerste het beeld van die gitzwarte leegte in de kelder zijn hele denken.

3

Hákon keek toe hoe de professoren zijn bureau verlieten; een aftocht van donkere silhouetten in het gouden tegenlicht van de ondergaande zon, die door de deur van zijn bureau naar binnen scheen. Voorlopig zou alle onderzoek buiten de campusmuren verdergaan. Tot de mysteries van de afgrond en het lot van zij die erin waren verdwenen werden opgehelderd, kregen alle studenten verlof. De buitenlandse studenten konden allemaal bij opvang terecht. Hákon leunde naar achter in zijn stoel en sloot gerustgesteld zijn ogen.
+++De gehele campus was ontruimd, op professor Fiorentino en zijn universitair koor na. Net deze avond hadden zij een repetitie gepland, en Fiorentino wilde daar absoluut mee doorgaan. Hákon stond het toe, al betekende het dat hij pas later naar huis zou kunnen gaan. Hij wilde de laatste man zijn die de campus verliet.
+++Terwijl de repetitie in de kapel van de noordelijke vleugel werd ingezet, doorzocht hij alle lokalen in het gebouw. Met de zekerheid dat het hele gebouw verder verlaten was, ging hij naar de kapel en leunde tegen de muur ervan, waar hij met uitzicht op de tuin naar de liederen luisterde. En onder de klanken van de toverachtige zangstemmen tot rust kwam.
+++Inmiddels had de lucht haar diepst blauwe kleur bereikt, waarmee de overgang naar de duisternis was ingezet. Een zachte bries woei door de binnentuin. Bladeren die loskwamen van de takken dartelden door de lucht. Vallende bladeren? In deze tijd van het jaar? Hákon maakte zich van de muur los. Hij ging naar één van de beukenhagen en greep naar een willekeurige tak. Het brak af zonder dat hij daarvoor enige moeite moest doen. Hij was geen plantenkenner, maar als hij niet beter wist dan zou hij zweren dat alvast deze haag gestorven was. Hij hield zich stil. Concentreerde zich. Zijn gehele spijsverteringsstelsel keerde, alsof zijn ingewanden in hun paniek van plaats probeerden te verwisselen, toen hij dezelfde ijlheid in de atmosfeer voelde die hij afgelopen ochtend in de kelder had gevoeld. Plots hoorde hij geluiden die zich met de koorzang mengden: stemmen die door elkaar praatten. Alleen kwamen zij niet vanuit de kapel, maar vanuit een onbestemde plek, die vlakbij hem leek, en tegelijkertijd onmetelijk ver weg. Hákon spitste zijn oren in een poging te begrijpen wat de stemmen zeiden, maar met het gezang dat als ruis interfereerde en de wind die het geluid telkens in een andere richting joeg, klonk het voor hem als niets anders dan gebrabbel. En dan, heel even, hoorde hij tussen die stemmen er één die hem erg bekend aandeed. Iselin? Nee, hij vergiste zich niet. Haar stem was te uniek om die met die van een ander te verwarren.
+++‘Iselin?’ riep hij, ‘Waar ben je?’ Pas nadat hij dit over de binnentuin geroepen had besefte hij hoe idioot die vraag was. Ze was immers dood, haar lichaam al lang geborgen. Het enige van haar wat nog spreken kon was haar ziel, en in de wereld van de levenden konden de doden zich niet laten horen. Ongeduldig bleef hij voor de deur van de kapel ijsberen. Hoe langer hij naar de stemmen luisterde, hoe twijfelachtiger het hem leek dat deze van jonge studenten konden komen; ze klonken diep, lijzig, brommend. Nu hij erover nadacht, kende hij geen enkel mens wiens stem zo klonk. Over zijn gehele lichaam voelde hij tintelingen; net zoals deze ochtend in de kelder had hij het gevoel dat ijskoude vingers over hem gleden. Fiorentino, verdomme, maak dat je je repetitie afwerkt.
+++Na wat een eeuwigheid leek kon Hákon de professor en zijn studenten eindelijk de campus buitenwerken. Hij deed de deur van de kapel op slot en haastte zich naar zijn bureau.
+++Gezien de omstandigheden viel een eenzame afdaling naar Phasma op geen enkele manier te verantwoorden. Maar alle professoren die hem hierin konden vergezellen hadden de universiteit al lang verlaten, en er was absoluut geen sprake van dat hij Alesundse studenten met hem zou meenemen. De dubbele deur van zijn kamer had hij wagenwijd open gezet, zodat hij vanaf zijn bureau een goed zicht had op de galerij daarbuiten. Achter de arcades zag hij de majestueuze kruin van de es, en de bladeren die de wind van de bomen trok. Opnieuw priemde de angst in zijn buik. Wat als er op deze plek ook al een gat is ontstaan? Aan zijn bureau werd hij weliswaar niet bekropen door dezelfde sensatie van ijlheid, noch door de tintelingen die hij in de binnentuin en eerder in de kelder had ervaren. Het volstond echter niet om zijn twijfels helemaal weg te nemen. Je kunt nu naar Valeria gaan en de hele zaak morgen bekijken, samen met een leger professoren. Maar als de slachtoffers terug aan het oppervlak waren gekomen, en eventueel gered konden worden, dan was het zijn verdomde plicht hen te gaan helpen. Hákon ging in zijn bureaustoel zitten en sloot zijn ogen.

4

De uitdrukking “er valt geen levende ziel meer bespeuren” kreeg voor Hákon een geheel nieuwe dimensie toen hij zijn ogen opende en keek naar een kamer die compleet leeg was. De twinkelende lichtjes waren allemaal verdwenen. De nevel had plaats gemaakt voor een film van duisternis die over de vloer, de muren en het plafond spande. De stenen leken op schimmen die trachtten in deze wereld te blijven maar stilaan eruit gewist werden.
+++Hákon dwong zichzelf overeind en schuifelde voorzichtig naar de galerij. De kruin van de es was volledig verduisterd. Een leeg, spookachtig omhulsel. Hij bereidde zich voor op het ergste, al was hij niet zeker of hij klaar was om de waarheid te ontdekken die de balustrade van de galerij aan het zicht onttrok.
+++Het schip dat hij bestuurde, zoals hij zich de universiteit voorstelde, kwam in aanvaring met een rots die een fataal gat in de romp scheurde toen hij over de balustrade heen keek en de binnentuin aanschouwde. Er was geen binnentuin meer. Een peilloos zwarte diepte was het enige wat restte, en als Hákon niet naar de opkomende sterren in de hemel keek dan had hij gezworen dat de gehele campus uit de realiteit die hij als Phasma kende gerukt was en rondzweefde in een hel van perfecte leegte. Iselin kon hij niet meer horen. Hij kon helemaal niets meer horen. De stilte was even volmaakt als de duisternis die de binnentuin had weggevaagd. Hákon sloot zijn ogen. Vergeef mij, iedereen. Ik ben te laat.
+++En plots zag hij, nadat hij zijn ogen geopend had, twee lichtjes die de duisternis daar beneden doorprikten. Te klein om er meer vorm in te kunnen onderscheiden dan slechts twee perfecte cirkels. Hákon stond zichzelf toe te durven hopen. Waren het twee studenten die een manier hadden gevonden om de leegte te navigeren? Waren ze misschien zelfs dicht genoeg om hem te horen, als hij maar hard genoeg schreeuwde? Hij riep. Maar het geluid van zijn stem kon niet gedragen worden door de leegte; het verdween, werd verzwolgen vanaf het punt waar de duisternis begon. En toch kwam een antwoord: de lichtjes bewogen langzaam van plaats. Ze lijnden zich in een andere hoek op, netjes horizontaal ten opzichte van elkaar. Het was geen grote beweging, maar het viel direct op dat hun afstand tot elkaar ongewijzigd bleef. Toen besefte Hákon het. Dit waren niet de zielen van studenten. Niet van mensen, noch van dieren.
+++Het waren ogen. Te rond om een mens toe te behoren. Op geen enkele manier kon Hákon de aard of grootte van het ding inschatten. En waarom in godsnaam waren enkel de ogen zichtbaar? Waar was de rest van het lichaam? Wat doet dat ding daar beneden zelfs? De enige reden waarom de studenten niet meer wakker werden, is simpelweg omdat ze dat door omstandigheden niet konden. Magnus’ woorden haakten zich vast in Hákons gedachten en begonnen als een infernaal ritme opnieuw en opnieuw af te spelen. Zijn logica vertelde hem dat hij zonder enig bewijs niets kon uitsluiten. Maar dat veranderde niets aan de situatie dat hij, in naar wat hij ook aan het kijken was, mogelijk de oorzaak van de verdwijning en de dood van zijn collega en studenten had ontdekt, en dat dit ding hem aan het aankijken was.
+++De ogen begonnen zachtjes op en neer te deinen. Langzaamaan werden ze groter en groter. Het klom omhoog. Hákon had geen flauw idee hoe snel het wezen bewoog of hoe dicht het ondertussen tot hem gekomen was; het perfecte zwart stuurde zijn inschattingsvermogen hopeloos in de war. Een grillige, witte boog verscheen onder de twee cirkelvormige ogen die als wit vuur gloeiden. Het krulde op tot ze net voorbij weerszijden van de ogen ophield. Met het verschijnen hiervan hoorde Hákon een geluid uit de diepte opstijgen; tientallen stemmen die door elkaar brabbelden in een onverstaanbaar koeterwaals. Hákon kneep zijn ogen tot spleetjes om zijn zicht scherper te stellen, en toen hij vervolgens deze grillige krul herkende als een grijns met veel, veel te veel tanden, schots en scheef en vlijmscherp – een gebit dat hij nog het best kon omschrijven als een kruising tussen dat van een tijgerhaai en een hengelvis; iemand uit modernere tijden zou het kunnen omschrijven als een impressionistische uitvoering van de grijns van de Cheshire Cat uit Alice in Wonderland indien deze kwam van de hand van een hallucinerende psychopaat tijdens het hoogtepunt van een bad trip – verliet een geluidloze schreeuw zijn lippen en stootte hij zijn handen af van de balustrade alsof deze plots in brand stond. Hij deinsde met zulk geweld terug dat zijn benen in elkaar verstrikten en hij achterover viel. Zo snel hij kon draaide hij zich op zijn buik. Nu keek hij recht naar zijn bureau, naar en de schim van zijn eigen lichaam die op de stoel erachter zat. Word wakker!

5

Hákon opende zijn ogen. Door de afwezigheid van de nevel in Phasma was het schimmenrijk minstens even duister als Materia. Compleet gedesoriënteerd kon hij niet langer met absolute zekerheid bepalen in welke laag van de realiteit hij zich bevond. Slechts één manier om zeker te zijn. Hij stroopte zijn mouw op en beet in zijn arm. Een scherpe pijn schoot door het vlees waar deze door zijn tanden werd doorboord. Maar hij verdrong het, en sloot zijn kaken nog krachtiger om zijn arm, tot hij niet anders kon dan een kreet slaken die in het stukgebeten lichaamsdeel gesmoord werd. Hij trok zijn gezicht terug en bekeek de wonde die zijn tanden hadden achtergelaten, en zag wat hij hoopte te zien: bloed. Hij was, goddank, in de wereld waar de put dicht was en dat ding dat erin zat hem niet achterna kon komen.
+++Hákon rolde zijn mouw af om zijn wonde te bedekken. Hij stond op en maakte aanstalten om zijn bureau te verlaten. Enkele meters voor zijn deur bleef hij staan. Hij staarde naar de galerij met daarachter de verduisterde es, het hart kloppend in zijn keel, afwachtend of er vanuit de binnentuin alsnog een onnoemelijk beest over de balustrade heen zou klauteren.
+++Hij vermande zich en rende de galerij op, richting het trappenhuis op de rand tussen de oostelijke en zuidelijke vleugel. Hákon betrapte zichzelf erop dat hij weigerde over de balustrade heen te kijken. Telkens als zijn hoofd afweek in de richting van de binnentuin, wendde hij deze met een ruk af, en probeerde zijn zicht op het einde van de galerij te concentreren.

6

De zon was achter de horizon verdwenen, en liet de wereld omhuld in maanloze duisternis achter. Terwijl hij de trappen naar het gelijkvloers afdaalde, vervloekte Hákon zijn nalatigheid om een licht met zich mee te nemen. Maar niet omdat hij voortdurend bijna uitgleed over de treden die hij in het pikdonker nauwelijks kon onderscheiden. Hij dacht terug aan zijn kindertijd, toen hij acht jaar oud was. Hij haatte het als hij iets uit de kelder moest gaan halen. Telkens dacht hij dat er een monster zich in een donker hoekje verstopte, klaar om tevoorschijn te springen en aan te vallen van zodra het de kans zag. Die angst was zo kinderachtig. Zo dom. Monsters bestonden immers niet, zo zou hij later leren. En nu, terwijl hij door de duistere hallen rende, keek hij constant over zijn schouder. Voortdurend verwachtte hij dat in de donkerste hoeken die ronde ogen met die vreselijke grijnslach zouden opduiken. Bij elk plotse geluid sprong hij op, samen met zijn hart, dat dan enkele tellen oversloeg. Het donker maakte hem terug even bang als eenendertig jaar geleden, want hij had zojuist met zijn eigen ogen gezien dat de monsters in het duister waarvan volwassenen zichzelf wijsmaakten dat ze niet bestonden écht waren.
+++Maar nadat hij de gesloten campusdeur de rug toekeerde en de heuveltrappen afdaalde richting de lichtjes van Lindelheim, loste zijn angst op als een nachtmerrie die vergeten werd in het ochtendlicht, en in de plaats daarvan begon zijn vastberadenheid opnieuw te stalen. Hij weigerde zijn universiteit te laten sluiten in de greep van de terreur die hij vandaag aanschouwd had. Spoedig, heel spoedig, zou hij terugkeren, met een plan om de controle over de campus terug op te eisen. Maar vooraleer de ochtend zou komen, moest hij eerst de nacht trotseren. En waar Hákon niet had bij stilgestaan, was dat die nog niet eens begonnen was.

IV
Tweedonker

1

‘Jullie drie?’ zei Liesel, toen Hákon samen met Bernhard en Magnus aan haar voordeur kwamen aankloppen. ‘Kom toch binnen. Ik heb deze avond brandnetelsoep gemaakt. Willen jullie ook wat?’
+++‘Graag,’ zei Hákon, die sinds zijn ontbijt niets meer gegeten had. Bij die bedenking kwam onwillekeurig het beeld voor zijn ogen van het Tommerdal, ten noordoosten van Lindelheim. Dat was een vlakte waar het het hele jaar door zo verdomde koud was dat er niets groeide. Gure wind was het enige wat daar te vinden was. En zand. Of sneeuw. Of modder, indien de sneeuw niet meer vers genoeg was. Hoe dan ook, dat was hoe hij zich de inhoud zijn maag voorstelde.
+++‘Willen jullie wel stil zijn. Nils ligt al in zijn bed,’ zei ze.
+++Liesel liet hen aan de tafel in de woonruimte zitten. Het enige licht kwam van een kaars die in een kom water stond, zodat de reflectie ervan het zwakke licht verspreidde, en van het haardvuur. Ze nam een ketel en plaatste deze boven het knetterende hout.
+++‘Hoe was het nu met Valeria?’ vroeg ze.
+++‘Ik ben nog niet thuis geweest,’ zei Hákon, ‘ik kom rechtstreeks van de universiteit.’ Liesel draaide zich om en keek Hákon met één opgetrokken wenkbrauw aan. Niet onder de indruk kwam hij meteen ter zake. Hij vertelde hen over de nieuwe afgrond die onder de binnentuin geopend was. Over het gezicht dat hij erin gezien had. In het bijzijn van zijn collega’s kon Hákon zijn eigen verhaal haast niet meer geloven. Liesel ging aan de overkant van de tafel zitten en keek Hákon aandachtig aan. Bernhard staarde voor zich uit met opgetrokken wenkbrauwen. Een gezicht waarin de bezorgdheid gebeiteld stond. Magnus had de ogen neergeslagen, zijn blik vastgezet op zijn handen die hij op tafel samengevouwen hield. Hákon was niet geheel zeker of het zijn woorden waren die Magnus er zo ineengedoken bij deed zitten, of omdat dat gewoon zijn natuurlijke houding was. Het had iets samenzweerderigs, zoals zij daar in die zwakverlichte ruimte bijeen gedoken aan tafel tegen elkaar aan het fezelen waren.
+++‘Magnus, heb jij al iets in de notities kunnen vinden?’ vroeg Hákon.
+++Magnus schudde zijn hoofd.
+++‘Dan wil ik, vannacht nog, de afgrond gaan observeren. Ik wil weten hoe deze zich juist verspreid. En ik wil weten wat dat ding is dat erin zit.’
+++‘Gevaarlijk,’ zei Magnus, ‘maar de enige manier om iets wijzer te worden.’
+++‘Precies,’ zei Hákon, ‘buitengewoon gevaarlijk. Ik riskeer niet slechts mijn leven, maar mijn ziel. Ik heb jullie bij elkaar verzameld omdat ik jullie hulp nodig heb om het voortbestaan ervan te verzekeren. Zodat ik mijn opgedane kennis aan jullie kan doorgeven, voor het geval het misloopt. Liesel, ik heb jouw talent nodig om een stuk van mijn ziel af te schrapen. En Bernhard, ik wil dat jij het jouwe gebruikt om dat stuk aan een object vast te hechten.’
+++‘En welke rol speel ik in heel dit gebeuren?’ vroeg Magnus.
+++‘Ik heb jouw mening nodig,’ antwoordde Hákon, ‘jouw oordeel betrouw ik het meest.’
+++‘O.’
+++Liesel legde haar kin in haar handen. ‘Vandaar dat je ineens naar mij bent toegekomen. Je wilde Valeria niets over je plannetje vertellen,’ zei ze.
+++‘Ze zou het niet goed vinden. Daarvoor durf ik mijn hand in het vuur te steken. Ik wil ook niet dat ze zich nodeloos zorgen maakt.’ Dat was gelogen. De waarheid was dat hij bang was om haar terug te zien. Wat moest hij tegen haar zeggen? Sorry schat, maar één of ander gezicht had me bijna opgevreten. Volgens mij heeft het alle andere dode studenten en Alfred opgevreten. Ze stond op het punt zich te verloven met jandorie de stichter van de universiteit van Lindelheim, niet met één of ander achtjarig kind.
+++Liesel nam Hákons woorden in overweging. Na een tijd vroeg ze: ‘Hoeveel van je ziel wil je dan dat ik afschraap?’
+++‘Genoeg zodat mijn bewustzijn in dat object kan functioneren. Zoals ik al zei, als het fout gaat moeten jullie alsnog toegang hebben tot mijn kennis. Anders riskeren we in een dodelijke vicieuze cirkel terecht te komen. Ik dacht aan een vijfde.’
+++Liesel veerde overeind en sloeg haar handen neer op het tafelblad. ‘Hákon, ben jij helemaal betoeterd?’ blafte ze. ‘Een vijfde! Heb jij al eens nagedacht over wat voor gevolgen zoiets voor je kan hebben? Van ons allen zou jij het beste moeten weten dat aan zaken die je verstand beheersen niet gerommeld moet worden. Heb jij Dumortier’s verhandeling over hersentrauma’s al eens gelezen? Het principe komt op hetzelfde neer als de waanzin die jij hier voorstelt! Dat jouw zieltalent dan allicht om zeep is, is mogelijk het minste van je zorgen. De kans bestaat dat je als een achterlijke naar Materia terugkeert. Voor hetzelfde geld val je na een half uur steendood neer omdat je ziel te verzwakt is om jouw lichaam aan te sturen. Het enige wat jij in dit hele plan goed hebt ingeschat, is dat je er niets over wilde vertellen aan Valeria, want ik vind het al helemaal niet goed, en ik ben je vriendinnetje niet eens!’
+++Ze ging terug zitten, en alsof ze plots haar slapende echtgenoot terug herinnerde, ging ze op een kalmere toon verder. ‘Lieve schat, je hebt nog zoveel op te bouwen en te bereiken. De studenten op de universiteit zijn gek op je. Je weet toch dat als zij over je spreken je “de papa” noemen– nee, dat wist je blijkbaar niet? In ieder geval, je hebt ook nog een prachtige vriendin, en samen gaan jullie ongetwijfeld een stel fantastische kinderen op deze wereld zetten. Ga je dat allemaal weggooien door op jezelf te laten experimenteren? Vraag mij niet om die verantwoordelijkheid te nemen. Ik wil het niet.’
+++‘Ik ook niet, Liesel,’ zei Hákon, ‘maar de situatie laat ons weinig keuze.’ Hákon liet zijn hoofd in zijn handen rusten. ‘Kijk, ik ben bang. Als wij niets ondernemen, dan ben ik bang voor wat er ons verder nog te wachten staat. Wat als de uitbreiding van de afgrond niet stopt en de stad bereikt? Dat ding doet de nevel verdwijnen. Begrijp je wat dat betekent? Dit gaat niet zomaar over mogelijke doden die nog kunnen vallen, maar over de onmogelijkheid tot leven.’
+++’‘Ik heb eerder al gezegd dat we dit best met het grootst mogelijke pessimisme benaderen,’ zei Magnus. ‘Als wat Hákon zegt klopt, en die afgrond blijft uitbreiden, dan hoeven we niet rond de pot te draaien: dan kijken we aan tegen het begin van een catastrofe. Bovendien zullen de mensen naar ons kijken als de oorzaak. Kun je het voorstellen? “Kijk, daar heb je die smiechten die dat monster op de wereld hebben losgelaten,” zullen ze zeggen. Wij zijn dan de slechteriken in het verhaal, met gevolgen die wij de rest van onze levens zullen dragen.’ Hij ondersteunde zijn kin met zijn hand. ‘Vergis je niet. Net als Liesel vind ik je plan waardeloos. Maar helaas geloof ik ook niet dat we andere opties hebben. We moeten absoluut de aard van die afgrond en dat ding daarin te weten komen. En dat kunnen we nogal moeilijk doen door een aantal gedwongen vrijwilligers op te trommelen en ze in de afgrond gooien om te zien wat er dan gebeurt.’
+++‘Precies,’ zei Hákon, ‘en daarom ga ik deze nacht terug naar de campus. Met of zonder jullie medewerking.’
+++‘Een tiende,’ zuchtte Liesel. ‘Meer niet. Als je denkvermogen beschadigd raakt, dan is alles voor niets geweest.’
+++Hákons mondhoeken krulden op tot een glimlach. ‘Het spreekt voor zich dat ik jullie zieltalenten naar mijn beste vermogen zal opdrijven, voor jullie je taak gaan uitvoeren.’ Hij opende het slotje van zijn hanger en deed het af. ‘Zullen we dan maar meteen beginnen?’
+++‘Je wilt dat ik je ziel aan die hanger vasthecht?’ vroeg Bernhard.
+++‘Natuurlijk,’ zei Hákon, ‘waaraan anders?’
+++‘Je beseft dat als ik je ziel daaraan vasthecht, die nooit meer losgemaakt kan worden?’
+++Hákon knikte.

2

Hij keek over de rand  van de klif heen. Hákon stond op de belvedère langs één van de bergroutes rondom Lindelheim. Vanaf dit natuurlijke terras kon men de gehele vallei zien waarin de stad gebouwd was. De sneeuw die in de nacht azuur kleurde gaf duidelijk de grens aan waar de klif tweehonderd meter de diepte in stortte.
+++Bijna drie uren waren verstreken sinds de splitsing van zijn ziel. Alles wees op een enorm succesnummer. Intellectueel had het hem op geen enkele manier beschadigd. Het enige wat Hákon nog wilde testen, voordat hij naar de universiteit zou terugkeren, was in hoeverre zijn zieltalenten al dan niet waren aangetast. De belvedère vormde de ideale plek om zijn ultieme proef te ondernemen.
+++Om hier te geraken moest hij eerst een heel eind door de hoofdstad trekken, dat ’s nachts bruiste in Phasma. Maar niemand had Hákon ooit zien passeren. De eerste proef die hij ondernomen had, was namelijk het licht van zijn ziel uitdoven tot hij compleet onzichtbaar werd. Zelfs de honden hadden hem niet opgemerkt.
+++En hij was daar maar wat dankbaar om. Onderweg was hij langs het plein aan de kathedraal gegaan. Zelf hadden de Alesunders geen speciale behoefte aan een geestelijk centrum. Door hun diepgaander begrip over de cyclus van leven en dood hadden zij geen goden om tot te bidden. Toch was dat plein de drukste plek van de stad. Omdat de kathedraal voornamelijk dienst deed als bedevaartsoord voor buitenlanders, die doorgaans om twee redenen naar Alesund trokken: de levenden kwamen daarheen om bijstand in hun rouw te zoeken. De doden zochten begeleiding om betekenis te geven aan hun nieuwe bestaan.
+++Het was daar dat Hákon een overstuurde vrouw gezien had die aan iedereen smeekte “of ze in hemelsnaam haar kleine Lars hadden gezien”. Toen het hem daagde dat haar beschrijving van deze jongen overeen kwam met één van de overleden studenten – mager, sproeten, groene ogen, rood haar – zonk zijn hart hem in de schoenen. Hij kon deze moeder troosten, haar vertellen dat hij er alles aan zou doen om hem terug te vinden – en dat was verdorie de wáárheid – maar hij had de moed niet in zich gevonden om haar aan te spreken. En zo bleef hij in het onzichtbare verhuld, als een lafaard. Altijd in je leven had je alles onder controle gehad. En nu glipt voor het eerst de situatie als water door je vingers, en wat doe je? Je loopt weg. Je verbergt je. Je loopt weg en verbergt je voor iedereen die jou het meeste nodig heeft. Eerst durfde je Val niet onder ogen komen. Nu durf je niet deze vrouw onder ogen komen. Een diepe bezorgdheid spreidde zich als een gif door zijn lichaam. Sinds hij het gezicht in de afgrond gezien had, leek het dat iets zijn denken en handelen verziekte. Dat hij transformeerde in iemand waarin hij zich steeds moeilijker kon herkennen. Hij begon te vrezen dat, sinds hij dat gezicht in de afgrond gezien had, een primordiale eigenschap van zijn wezen geknapt was.

3

En er was ook nog iets anders wat hem flink tegenstond. Hij had zijn stinkende best gedaan om het te verbergen om Bernhard en vooral Liesel te ontzien, want hun opdracht om een deel van zijn ziel van zichzelf te scheiden viel hun al zwaar genoeg. Maar ondanks dat zijn verstand intact was gebleven, kon dat van zijn emoties niet gezegd worden. Nadat ze klaar waren en terug ontwaakt waren, voelde hij zich ronduit afschuwelijk. Het was zo overweldigend dat hij eerst niet eens wist hoe hij het gevoel moest identificeren. Eerst dacht hij aan verdriet. Een heel erg diep verdriet dat je enkel voelt wanneer iemand die je heel dierbaar is uit je leven verdwijnt. Tot hij zich herinnerde hoe hij op een avond, een tiental jaren geleden, door een ongemeen felle buikgriep geveld werd. Zelfs water kon hij niet binnen houden. Tegen de dageraad was hij zodanig uitgedroogd dat de verdrinkingsdood hem een gunst leek. Het was geen verdriet wat hij voelde, maar verlangen. Alleen was het ditmaal nog machtiger, zelfs nog fundamenteler dan het gekmakende verlangen waarbij hij zijn hele hoofd in een ton water wilde plonzen en leegdrinken om in leven te blijven. Hij kon zich aardig voorstellen hoe een hyperactieve hond zich moest voelen, als die naar een speelterrein werd gebracht, en vervolgens bevolen werd zich niet te verroeren; hij voelde een haast oncontroleerbare drang om recht te staan en te rennen, in een poging om iets te vangen wat niet langer vatbaar was. Nochtans had hij het die eigenste moment in zijn hand vast. Het was naar de hanger dat hij verlangde. Of beter gezegd, naar wat er in de hanger zat – vlakbij hem en tegelijkertijd oneindig ver van hem verwijderd. Een deel van zichzelf was hij kwijt en hij zou er nooit meer mee herenigd worden, als een deel van een puzzel dat hij was kwijtgespeeld, waardoor hij gedoemd was enkel nog stukjes te vinden, hopend dat ze de juiste zouden zijn, alleen om te ontdekken dat ze niet in het ontstane gat pasten. Zijn meest hartstochtelijke wens, toen hij daar aan tafel zat, na het ontwaken, was dat hij nooit in dat waanzinnige idee om zijn ziel te splitsen was opgekomen.

4

Een groter offer was hij niet bereid te geven aan de verschrikking in de universiteit. Daarom stond hij op de belvedère om een bepaald zieltalent te testen die hem terug naar de begane grond kon brengen, mocht hij in de afgrond storten. Hij had het geleerd van een beloftevolle student, die dit talent de “zielsprong” noemde. Dagnar, zoals hij heette, was een atleet in hart en nieren. De zielsprong was een logisch gevolg van zijn haast fanatieke gevecht tegen zijn eigen lichamelijke beperkingen. Het transformeerde zijn ziel in een lichtstorm, die als een aan de haak geslagen vis werd voortgetrokken naar een punt waarop hij zijn gedachten geconcentreerd had. Op het toppunt van zijn kunnen was hij in staat met zijn zielsprong een recordafstand van acht meter te overbruggen.
+++Toen Hákon eerder deze avond de heuvel van de campus afdaalde, had hij een nieuwe invulling voor dit talent bedacht. Eindelijk was de tijd gekomen om te testen of het ook echt werkte. Hij nam een aanloop en dook de diepte in. Er waren gunstigere omstandigheden om je gedachten op iets te concentreren dan tijdens een val van tweehonderd meter, met de bodem die aan duizelingwekkende snelheid dichterbij kwam. Doch luttele momenten voordat zijn ziel te pletter zou slaan op de rotsen, stoof het uit elkaar in duizenden lichtdeeltjes, die zelfs nog sneller dan dat hij viel terug omhoog wervelden. Nauwelijks een tel later stond hij opnieuw op de belvedère, alsof hij de sprong nooit gemaakt had.
+++Hákon gloeide van trots, van vastberadenheid en van optimisme. Met het fantastische schouwspel dat voor hem lag – de sterrenhemel die bijna naadloos overliep in de oceaan van licht die de vallei bedekte – leek het alsof niets nog mis kon gaan. Hij geloofde niet eens meer dat de splitsing van zijn ziel permanent was. Hij had Bernhards talent zoveel sterker gemaakt. Het zou vanaf nu een koud kunstje zijn om tot inzicht te komen hoe hij de werking van zijn talent kon omdraaien. Zelfs zijn uitzinnige verlangen leek nu bijna draaglijk.
+++Onwillekeurig vielen zijn ogen op de campus bovenop de heuveltop, die als een zwarte schroeiplek (een dode plek) stond gebrand in de vallei van licht. Het trok zijn aandacht op dezelfde manier waarop je aandacht getrokken werd door een persoon buiten je blikveld die je met diens ogen uitkleedde. Er was geen ruimte voor twijfel: vanuit de verte sloegen de gloeiende, witte ogen hem gade. Hij kon niet zeggen waarom, maar iets in hem wist met zekerheid dat het op hem wachtte. Hij had het immers gezien, en hij leefde nog steeds om het na te vertellen. En het duldde geen half werk. En om de klus af te maken, had het Hákon nodig. Zijn trots, vastberadenheid en optimisme verdwenen even snel als dat ze gekomen waren. In hun plaats bleef enkel een naar gevoel over, dat zijn gehele onderlichaam verlamde. Net zoals in een nachtmerrie die haar hoogtepunt naderde, werd Hákon opeens door een diepe tunnel opgevist door de genade van de ontwaking. Wanneer hij zijn ogen weer opende, bevond hij zich terug aan tafel in Liesels huis, in gezelschap van het hare en dat van Bernhard en Magnus.
+++‘Ben je klaar?’ vroeg Bernhard.
+++Hákon knikte.
+++Maar ook dat was een leugen.

V
Nacht

1

Hákon opende de voordeur naar de campus en liet Bernhard, Magnus, Liesel en Dumortier binnen. De arts hadden ze onderweg uit zijn bed gelicht. Hákon nam zijn lantaarn op, die hij op de grond had laten staan om het slot te openen. Voor hij als laatste door de opening glipte, draaide hij zich nog eenmaal om en keek neer op de stad aan de voet van de heuvel. Daar, staande op de drempel van de ingang van de universiteit, voelde hij zich op de grens tussen twee verschillende lotsbestemmingen. Ofwel stapte hij naar binnen, waar hij gewillig toenadering zou zoeken tot een onbekende macht, volstrekt onvoorspelbaar en geheid in staat hem te verscheuren. Of hij keerde terug naar Lindelheim, waar hij zijn machteloosheid zou moeten toegeven aan zijn stadsgenoten. De verantwoordelijkheid voor verdere rampen die mogelijk – en eerder waarschijnlijk – zouden volgen lag in zijn handen. Dit was geen keuze tussen licht en donker. Met elke beslissing die hij nam zou hij recht in de omhelzing lopen van een ander soort duisternis. Hij zocht zijn eigen huis, waar Valeria nog steeds op hem wachtte. Het was verborgen achter de gebouwen aan de rand van de stad. Toch gaf het kijken in de richting ervan een gevoel van troost. Nog even, Val. Nog heel even, en ik zie je terug. Hij ging naar binnen en liet de voordeur op een kier achter zich.
+++Hákon leidde Liesel, Magnus, Bernhard en Dumortier voor. Ze gingen de trappen omhoog, naar de galerij op de eerste verdieping. Langzaam, want het kaarslicht in hun lantaarns gaf te weinig licht om alle oneffenheden in het trappenhuis prijs te geven. Nu pas bedacht Hákon zich hoe knettergek hij was geweest om deze trappen in de duisternis af te denderen zoals hij daarstraks gedaan had. Hij had gemakkelijk kunnen uitglijden en zijn nek breken. Paniek doet inderdaad vreemde dingen met een mens.

2

‘Bernhard, kun jij de haard aansteken? Het is hier verdomde koud,’ zei Hákon eens ze op zijn bureau waren aangekomen. Ze zetten hun lantaarns neer, voldoende verspreid om de kamer zoveel mogelijk te verlichten. Bernhard maakte een vuur aan terwijl Hákon naar de ligstoelen in de hoek ging.
+++‘Hoe voel je je?’ vroeg Liesel. Hákon hield een hand horizontaal voor zich uit, dat beefde als een espenblad.
+++‘Als u wilt, mossieu, ik heb in mijn lokaal kruiden liggen die u kunnen kalmeren,’ zei Dumortier.
+++‘Dank je, Arnaud, maar ik denk dat mijn geest bedwelmen op dit punt geen goed idee is.’ Hákon deed zijn hanger af. Onmiddellijk ontvlamde binnenin hem een gruwelijk melancholisch verlangen. Hij kon er zich bijna niet toe brengen de hanger los te laten.
+++‘Gáát het, Hákon?’ vroeg Liesel.
+++‘Ja, hoor.’ Zijn stem was zo schor dat het klonk als twee stenen die tegen elkaar krasten.
+++‘Ik zal u wat water brengen,’ zei Dumortier, en ging de deur uit. Hákon staalde zich, en legde de hanger neer op het tafeltje te midden van de ligstoelen. Maar toch voelde het alsof het uit zijn leven in de oneindigheid verdween. Hij legde zich neer in één van de ligstoelen, en onmiddellijk daarna kwam Liesel in een stoel naast de zijne zitten.
+++‘Ik vraag me af of…’ ze stak een vinger uit, en aaide de hanger. ‘Voel jij dit?’
+++En inderdaad voelde Hákon een warme tinteling over zijn borst heen gaan. ‘Ja,’ zei hij. ‘Ik wou dat…’ Hij beet het puntje van zijn tong af. Ik wou dat Valeria het in haar handen had, wilde hij zeggen. Dat zij toch op een manier nabij hem was wanneer hij dadelijk naar zijn nachtmerrie zou afdalen. En plots kon hij van ellende wel in tranen uitbarsten. Maar dit was niet het moment om toe te geven aan zwakheid. Hákon keek Liesel aan, en zag in haar blik een uitdrukking die hij nog nooit bij haar gezien had. Ze had woorden voor hem klaar, heel veel woorden, en geen enkele die hij graag zou willen horen.
+++‘Je mag het er allemaal inpeperen als ik terug ben,’ zei hij, en slaagde erin te grijnzen.
+++‘O, dat zal gebeuren,’ zei ze, ‘maak je daar maar geen zorgen over.’ Ze glimlachte terug.
+++Dumortier was teruggekeerd met een waterkruik in de ene hand en een beker in de andere. Die reikte hij Hákon aan. ‘Drink, mossieu. Het kan u alleen maar goed doen.’
+++‘Bedankt, Arnaud.’ Hákon nam de beker aan en goot deze in vier enorme teugen leeg. Nadat hij het op het tafeltje naast de hanger had neergezet, gaf hij de laatste instructies. ‘Dumortier, wek mij bij de minste onregelmatigheid die u bij mij kunt waarnemen. Bernhard, Liesel, Magnus: van jullie vraag ik hetzelfde, maar probeer ook te zien of er ook in Materia veranderingen in de omgeving plaatsvinden. En wat er ook gebeurt, kom onder geen enkel beding achter mij aan. Begrepen?’ Iedereen knikte. Degenen die nog niet zaten schoven stoelen rondom zijn ligbed en gingen zitten. Liesel nam zijn hand even vast en kneep erin. Hij keek haar aan en knipoogde. Vervolgens liet hij zijn ogen over al de anderen gaan.
+++‘Ik ben blij dat jullie allemaal hier zijn,’ zei hij. ‘Nou, tot straks dan!’ Hij sloot zijn ogen.

3

Weliswaar was de ziel grotendeels ongevoelig voor temperatuurverschillen, maar plotseling was bewegen zo moeilijk geworden dat Hákon zwoer dat hij aan het bevriezen was. Alsof na het licht en geluid ook alle warmte opgeslokt werd door het gigantische vacuüm die de plaats van de binnentuin had ingenomen. Alleen op de buitenmuren kon hij enig licht bespeuren. Dat licht kwam van de sterren, die reflecteerden in een laag ijs die aan alle oppervlaktes van de campus kleefde.
+++Hij keek over de balustrade heen. De ronde ogen waren nergens te bekennen. Vanaf dit punt kon hij evenmin de plaatsen zien waar de vloeren uitgaven in de afgrond. Hij had geen andere keuze dan af te dalen naar het gelijkvloers en aan de rand gaan staan van de afgrond om te kunnen zien hoe deze zich uitbreidde.
+++Het trappenhuis had haar eigen deur die uitgaf op de binnentuin. Roemloos was Hákon het hele eind naar beneden gelazerd doordat hij op het ijs op één van de bovenste treden was uitgegleden. In deze vorm had hij gelukkig geen vlees om te kneuzen, noch botten om te breken. Enkel een ego dat beschadigd kon worden. Niets aan de hand dus, toch? Hij ging staan op de drempel grenzend aan de diepte. Hij stampte met zijn voet erop. Niets bijzonders hier. Hij deed enkele proeven om mogelijke anomalieën in de soliditeit van zijn directe omgeving te ontdekken. Hij vond niets. Hij knielde neer en reikte met zijn hand in de diepte. Bijna onmiddellijk trok hij deze terug. Het voelde aan als ijskoud slijm. Hij stond terug recht, en keek naar zijn hand, afwachtend tot er iets aan veranderde. Nog steeds gebeurde er niets bijzonders. Zijn ogen gleden terug af naar de afgrond, en plots zag hij daar beneden de twee piepkleine witte puntjes naar hem turen. Angst begon dof in zijn buik te kloppen als een zweer. Maar hij weigerde zich te laten intimideren. Hákon bleef staan, en staarde terug. Hij en het wezen in de afgrond, twee roofdieren die naar elkaar loerden in afwachting van wie het eerst zou bewegen, zodat de ene aan de andere prijsgaf hoe hij het beste te grazen genomen kon worden. Hákon was niet van plan de eerste te zijn.
+++Het geduld van het wezen leek opgebruikt. De ogen kwamen in beweging. In Hákons maag bekampten de angst en de opwinding elkaar in een volledig gelijke strijd. Het maakte hem licht in zijn hoofd, net of deze twee emoties hem dronken voerden. Zijn mond werd droog, de benen slap, toen de talloze, vlijmscherpe tanden werden ontbloot in die afzichtelijke grijnslach. Hij wilde zijn blik afwenden. Toch dwong hij zichzelf het steeds dichterbij komende gezicht te blijven bekijken.
+++De ledigheid van de atmosfeer werd opgevuld door de klanken van de brabbelende stemmen. De tanden kwamen lichtjes van elkaar, waarbij het nog andere geluiden uitstootte. Geluiden die Hákon op een bepaalde manier herkenbaar klonken, maar toch niet geheel kon plaatsen. Was dat het gerommel van een olifant? Of het gegrom van een alligator? Het ratelen van een slang? Eerder leek het op een mengeling van al deze geluiden. Plotseling sperde het wezen de mond open. De tweestrijd tussen de angst en opwinding binnenin Hákon werd finaal door de angst gewonnen, dat als een mes in zijn buik plofte en zijn romp met een meedogenloze haal openreet. De binnenkant van de muil was bekleed met zielen van mensen die over elkaar kronkelden en in het ledige grepen, in vruchteloze pogingen om te ontsnappen. Zonder het te beseffen, had hij intussen een stap achteruit gezet. Het leek hem geen goed idee om het lot verder te tarten en hier nog langer te blijven.
+++Maar voordat hij ging ontwaken, wilde hij nog één ding proberen. Door de ziel van Magnus eerder deze dag aan te raken, had hij diens talent geleerd. Laat zien wat jij bent. Hij strekte zijn arm uit over de afgrond, en liet de zon in zijn hand schijnen. In het licht zag hij talloze gelede poten het gezicht spinachtig omhoog trekken. Het had geen vaste vorm. In de plaats daarvan leek het uit een soort donkere mist te bestaan. Nevel. En plots viel alles op haar plaats: het gebrabbel was geen onafgebroken conversatie tussen verschillende stemmen, maar een lied, zoals de nevel altijd liederen gezongen had. Zijn gedachtestroom knapte door de verbijstering. Het idee alleen al dat dit monster uit de essentie bestond waarvan de zielen van alle levenden voortkwamen was een absurditeit, een farce, een aanfluiting van alles wat leefde en ademhaalde. Hoe kon de oorsprong van al die pracht in zo’n gruwelijk aberrante vorm verschijnen? En de ogen, twee cirkelvormige wervelwinden van puur wit licht, zwevend vlak boven de opengesperde grijnslach, die bleven Hákon onophoudelijk met de krankzinnige blik van een maniak aanstaren.
+++Net onder de muil van het beest maakte Hákons licht twee vangpoten zichtbaar, sterk gelijkend op die van een bidsprinkhaan. Ze waren opgericht, in de positie klaar om uit te halen. Alsof zijn verstand hem een emmer water in het gezicht gooide om hem wakker te schudden, ontwaakte hij uit zijn verdoving. Hij besefte dat dit het ogenblik was waarop hij moest maken dat hij wegkwam. Maar zijn lichaam weigerde dienst. Was het de koude, of de angst die hem versteende? Hákon concentreerde zijn gedachten op de hal die naar de uitgang van de campus leidde. Net op het nippertje slaagde hij erin een achterwaartse zielsprong uit te voeren; terwijl hij in een storm van lichtdeeltjes achteruit werd geblazen, schoot één van de vangpoten aan oogverblindende snelheid naar de drempel waar Hákon geen tel geleden gestaan had. Nadat het in het ijle had gegrepen, schraapte het loom over de vloer terug de afgrond in.
+++Hij zag de vestibule aan het eind van de hal, en het drong tot hem door dat hij er in geslaagd was aan het monster te ontsnappen. Hij dacht dat hij flauw ging vallen van vervoering.
+++‘Een koninklijke zielsprong was dat, Hákon! Bravo!’ Die stem. Hij herkende hem. Hij keek om, naar de drempel voor de binnentuin. Als vanuit het niets verschenen, stond daar een gedrongen man met een middellange, puntige baard, gekleed in de gewaden van een professor.
+++‘Alfred? Hoe ben je uit de afgrond gekomen?’
+++‘Ik ben naar boven geklommen. Heb je me niet zien klimmen?’
+++Verward knipperde Hákon enkele keren met zijn ogen. Alfred zag er toch niet helemaal uit zoals hij hem herinnerde. Zijn gelaatstrekken leken op de één of andere manier vervormd.
+++‘Nee, ik… Ik heb je niet gezien?’
+++Alfred lachte. Maar het was geen lach waarin vreugde te horen was. Deze lach was smalend. Hatelijk, zelfs.
+++‘Je ziet zo weinig, Hákon.’
+++Werd hij nu voor schut gezet door degene waarvan hij dacht dat hij hém zou ontslaan wegens onkunde? Zoekend naar woorden haalde Hákon zijn hand over zijn gezicht. Prompt imiteerde Alfred zijn gebaar. Maar toen zijn hand over zijn ogen heen gegleden was, waren deze verdwenen. De huid verzonk in de oogkassen waarover het gespannen was. Verbluft stootte Hákon een zucht uit.
+++‘Hoe hoop je eigenlijk in godsnaam het inzicht waarnaar je verlangt te bereiken met die ogen van je?’ sprak het oogloze gezicht, ‘Je bent blind, Hákon. Wij zijn allemaal blind. Je leven lang heb je gewijd aan de zoektocht naar kennis, en daarbij is de meest fundamentele basis je volledig ontgaan.’
+++‘De fundamentele basis?’
+++‘Waarom ziet de mens niet wat de vogel ziet? Waarom ziet de vogel niet wat de bidsprinkhaankreeft ziet?’ Alfreds stem veranderde. Een onaardse kracht leek erin naar boven te komen. ‘Onze ogen en hersenen zijn nooit ontworpen geweest om de wereld te begrijpen, maar enkel om deze simpelweg te overleven.’
+++Plotseling zag hij dat Alfreds rechterarm gruwelijk misvormd was. De mouw van zijn mantel was vanaf de elleboog naar beneden toe helemaal opgezwollen. Waar de hand moest beginnen, liep de arm door tot ter hoogte van zijn knieën. Het was een onherkenbare mengelmoes van wanschapen vlees, een kanker die de duivel uit de diepste hellekring trots zou maken, eindigend in een soort van muil met dolkachtige tanden, die Hákon nog het meest aan een vleesetende plant deed denken. Hij vroeg zich af hoe in hemelsnaam hij dit niet eerder had kunnen opmerken. Nochtans zwoer hij dat die arm een ogenblik geleden er volledig normaal uit had gezien.
+++‘En dus, vertel mij eens, o grote en machtige Hákon,’ Alfreds stem sprak nu zo onmenselijk krachtig dat Hákon niet anders kon dan onder de intensiteit ervan terug te deinzen. Alfred richtte de monsterachtige arm vervaarlijk op in zijn richting. De eerste letters van een obsceniteit die Hákon sinds zijn puberteit niet meer had uitgesproken kroop bijna onhoorbaar over zijn lippen.
+++‘DENK JE DAT JIJ DIT KAN OVERLEVEN?’
+++Zonder aarzeling draaide Hákon zich om naar de hal en rende zo hard dat hij dacht dat hij over zijn eigen benen ging struikelen, net zoals een kind dat zich als het ware voorbijloopt en over zichzelf valt. Zodra hij om de hoek was verdwenen in de vestibule, doofde hij het licht van zijn ziel om zichzelf compleet onzichtbaar te maken. Hij bleef rennen, naar de voordeur van de campus, die hij op een kier had laten staan. Waarom daarheen? Er was geen daarom. Zijn lichaam droeg hem erheen zonder dat hij erover had nagedacht, de angst die door zijn lichaam gierde als de motor die zijn verstand had overgenomen en zijn acties dirigeerde. Hij had er even goed aan kunnen denken te ontwaken, maar zijn vluchtreactie had zelfs die simpele redenatie de nek omgedraaid.

4

Een eindeloos diep ravijn dat de gehele campus omringde als een slotgracht maakte een abrupt einde aan zijn vlucht. Hákon keek om zich heen. Alfred had hij tenminste van zich afgeschud. Het campusgebouw was getransformeerd in een ijspaleis. De enige warmte die ervan afstraalde, kwam van het licht van achter de ramen, één verdieping boven de vestibule, waar Hákons bureau was. Op de gehele heuveltop, nu eerder een eiland dat afgesneden was van de rest van de wereld, was er geen nevel meer. Aan de voet van de heuvel lag Lindelheim, nog steeds even levendig, alsof er niets aan de hand was. Nog steeds onaangetast.
+++Hákon probeerde de breedte van de kloof in te schatten. Misschien iets meer dan vier meter. Zeker geen vijf. Met een zielsprong zou het een koud kunstje zijn om de overkant te bereiken. Maar de angst die Hákons binnenste omroerde zaaide twijfel in zijn geest. Als ik het niet haal, dan val ik de afgrond. Zou het monster mij dan opvreten? Zou mijn ziel dan misvormen zoals die van Alfred? Hij probeerde zichzelf terug in de hand te krijgen, zijn paniek en vertwijfeling weg te redeneren met logica. Kom op, het is nog geen vijf meter. Het verdween in het niets met de afstand die hij nauwelijks twee uur geleden had overbrugd. Hoe kon dit dan ooit mislukken? Hij zette zich schrap om de sprong te maken. Echter stelde hij zich ongewild voor hoe hij door een inschattingsfout regelrecht de kloof insprong. Dus bleef hij compleet verdoofd stilstaan. Hoe hij zichzelf ook probeerde aan te moedigen door zich met zijn eerdere prestaties op de borst te kloppen, hij kon het niet.
+++Een aanzwellend geluid leidde zijn aandacht af. Links achter hem hoorde hij een geschuifel, samen met het diepe, lijzige gezang dat het monster uit de afgrond voortbracht. Hákon keek naar zijn handen, om zeker te zijn dat ze écht onzichtbaar waren. Ik kan ze niet meer zien. Mijn hele lichaam kan ik niet meer zien. Pas dan durfde hij omkijken.

5

Het wezen klom bovenop het observatorium, en daar bleef het zitten. Nu het de duisternis van de afgrond verlaten had, kon Hákon het gehele lichaam zien. Of tenminste, de delen die niet achter het universiteitsgebouw verborgen waren. Doch de aanblik ervan kon hij niet lang verdragen. Niet omdat het er zo vreselijk uitzag. Maar omdat het wezen een gigantische optische illusie bestaande uit nevel en gas was, die bij iedere beweging subtiel transformeerde, waardoor Hákon er een oneindigheid van fauna en flora in kon herkennen, en dit rotzooide zodanig met zijn verstand dat hij dacht dat het volledig zou doorbranden indien hij het te lang aanstaarde. Van wat hij zag leek het lichaam qua algemene vorm nog het meest op dat van een zeenaaktslak die in de volksmond de “blauwe draak” werd genoemd; langwerpig en slank, met aan weerszijden waaiervormige vleugels, beiden momenteel ingeklapt. Blijkbaar had het vijf ogen in plaats van twee: vier ronde ogen, en een vijfde, veel groter oog, in het midden van het voorhoofd, dat verticaal gedraaid stond in plaats van horizontaal. Deze hield het beest gesloten. Net of het wezen nog half aan het slapen was. Er groeiden uitsteeksels bovenop het hoofd, afhankelijk van de kijkhoek meer gelijkend op een majestueus gewei dan op voelsprieten. Met talloze gelede poten klampte het zich vast aan het observatorium. De rug was bezaaid met een wirwar van nerven die even goed dikke haren als takken of wortels van bomen konden zijn. De nevel was opgevuld met clusters van ontelbaar vele kleine lichtjes. En plots leek het niet alsof hij naar de ziel van een onbekende levensvorm keek, maar naar de gehele kosmos staarde.
+++De wijze waarop het zich aan de top van het observatorium vastklampte, gaf het wezen een verloren indruk. Op een bizarre manier voelde Hákon zich daarom ermee verbonden. De uitweg naar zijn thuis was afgesneden, en in het enige toegankelijke gebouw doolden verschrikkingen rond die hem – zoveel was duidelijk – probeerden te doden. Onder de blote hemel, in het open grasveld, voelde hij zich verloren, naakt en kwetsbaar. Maar toen hij zijn interpretatievermogen een tweede keer en ditmaal iets harder liet werken, verdween dat gevoel van verbondenheid als sneeuw voor de zon, om plaats te maken voor afschuw. De houding van het wezen geleek op die van een jager die voorovergebogen lag, klaar om aan te vallen. En het doel, waarop de ogen gefixeerd waren, was Lindelheim.
+++Hákon haalde met zijn hand over zijn gezicht in de hoop zijn gedachtenstroom terug op gang te brengen. Wat een vreemde ervaring met onzichtbare handen! Bovendien leek de kracht van het geluksbrengend gebaar daarmee uitgewerkt. Er kwamen geen ideeën. Geen plan. Geen oplossingen. Magnus had gelijk. Over de hele lijn had hij gelijk. We staan aan het begin van een catastrofe, en wij gaan hiervan de schuld krijgen. Ons verhaal is afgelopen. Met de beste wil van de wereld kon hij werkelijk niets verzinnen om dit beest te lijf te gaan. Laat staan het tegen te houden. Wat kon hij als miezerig mensje tegen zoiets zelfs beginnen? Als hij in zijn materieel lichaam zat, dan zouden er tranen in zijn ogen schieten.
+++‘Hákon.’ Een stem kwam van de overkant van het ravijn en haalde hem bruusk uit zijn reflectie. Hij keek, en zag daar een vrouw staan. Een gezicht met zachte trekken, amandelvormige ogen die aan de uiteinden zachtjes omhoog draaiden, lange, sierlijk golvend blonde haren. De prachtigste vrouw die hij ooit gezien had.
+++‘Valeria!’ riep hij uit. De schok had het wezen kortstondig uit zijn gedachten verdreven. Even werd hij ijskoud vanbinnen, als een kind dat door zijn ouders betrapt werd terwijl het iets deed wat hem uitdrukkelijk verboden was. Vervolgens ging hij met gedempte stem verder:Waarom ben je hier?’
+++‘Waarom? Waarom ben jij als enige niet naar Lindelheim teruggekomen? Mensen zijn hier gestorven, en je hebt helemaal niets van je laten horen. Dacht je soms dat ik me niet afvroeg of alles wel in orde met je was?’
+++Alsof hij een klap had gekregen, wendde Hákon zijn gezicht af, en bedekte het met zijn hand. Godver, nu is het helemaal om zeep. Liesel, waarom had ik niet naar je geluisterd? Zijn koppigheid kwam als een boemerang terug in zijn gezicht. Oneindig veel erger was dat door zijn schuld Valeria daar open en bloot aan de rand van het ravijn stond, recht in het zicht van de bron van dood en verderf bovenop het observatorium. Hákon waagde het erop het vanuit zijn ooghoeken aan te kijken. Het sloeg lui zijn waaiervormige vleugels uit. Honderden, misschien wel duizenden lichtjes kwamen van de vleugels los, die als sneeuw neerwaarts dwarrelden. Daarna klapte het wezen ze terug dicht. Blijkbaar had het hen niet opgemerkt, godzijdank. Misschien hoorde het hen niet door het onophoudelijke gebrabbel, dat een lied voorstellen moest. Hij dacht dat hij knettergek ging worden als hij het nog lang moest aanhoren. Opnieuw richtte hij zich tot Valeria. Zij had haar blik niet één keer van hem afgewend.
+++‘Valeria, het monster,’ fezelde hij, ‘maak dat je wegkomt voordat het je ziet’.
+++‘Liefje, is alles goed met je?’ vroeg ze.
+++‘Pardon?’
+++‘Of alles goed met je is?’
+++Probeert ze mij voor paal te zetten? ‘Daar bovenop het observatorium! Zie jij het dan echt niet?’ Of ben ik knettergek aan het worden?
+++Valeria glimlachte. Maar haar ogen lachten niet mee. ‘Kom toch hier, schat.’ Ze reikte haar hand uit. ‘Kom op, laat me die mooie zielsprong van jou eens zien. Spring over het ravijn, en dan gaan we samen naar huis.’
+++Er klopte iets niet. Hákon kon zijn vinger niet precies plaatsen waarop, maar er klopte iets niet. Hij voelde zijn hoofd heen en weer schudden.
+++‘Nee,’ zei hij.
+++Valeria keek hem verbouwereerd aan. ‘Hoezo? Je bent toch niet bang? Ik ben toch hier voor je? Als je er niet over raakt, dan zal ik je opvangen.’
+++Nogmaals keek Hákon om. Nog steeds schonk het wezen hun geen enkele aandacht. Hij geraakte er alsmaar meer van overtuigd dat het half aan het slapen was. Maar de lichtstorm van een zielsprong kan het monster onmogelijk negeren. En wat als het achter ons aan komt?
+++‘Moet je horen’, zei hij, en stak zijn vinger op, net of hij een geniale ingeving kreeg. Onder de bedwelmende invloed van zijn angst vond hij het dan ook een geniale ingeving. ‘Ik ga wakker worden, en dan ga ik naar huis, onmiddellijk. Ik beloof het je.’
+++Valeria liet haar arm zakken. Er klopte iets niet aan haar mond. Het was te veel… Te breed? Haar mimiek was bovendien ontzettend vlak. Opnieuw probeerde Hákon het te plaatsen, maar zijn gedachten wervelden zo snel door zijn hoofd dat hij ze niet meer vatten kon. Datzelfde gevoel dat je kreeg wanneer een woord of naam op het puntje van je tong lag, maar weigerde erover te komen.
+++‘Val, je bent zo apathisch,’ zei hij, ‘wat is er met je aan de hand?’
+++‘O sorry, dat is niet de bedoeling. Ik voel me gewoon… verstrooid.’
+++‘Liefste schat, ik zal je deze dag goedmaken. Dat belóóf ik je. Ga naar huis en wacht daar op me. Ik kom zo snel ik kan.’
+++Opnieuw die glimlach. Valeria hief haar handen op tot ze naast haar gezicht waren.
+++‘Ja,’ zei ze, ‘ja, ik zal op je wachten.’ Ze klapte in haar handen, viel in duizenden stofdeeltjes uit elkaar, die in de lucht oplosten.

6

Hákon legde zijn hoofd in zijn nek en slaakte een langgerekte zucht. Maar het was er geen van opluchting. Geen bevrijding uit de stalen greep waarin je lichaam gekneld zat. Noch het wegblazen van de waas die hoop verborg. Die gevoelens behoorden toe aan een verdwijnende werkelijkheid. Veeleer was het een poging om de druk op zijn gedachten af te laten. Zodat hij kon nadenken over wat hij moest maken van wat hij net allemaal gezien had, en hoe hij nu juist verder moest. Hij had een schat aan informatie gewonnen. Het wezen had hij dan wel niet kunnen identificeren, maar het belangrijkste was dat hij wist dat het je opvattingen over de realiteit kraakte en het leek of piepkleine beestjes je verstand begonnen op te vreten van zodra je ermee in contact kwam. En eerlijk gezegd was hij niet eens zeker of het wezen wel écht bestond, of dat het een helse constructie van zijn eigen inbeelding was. Valeria had het immers niet gezien, dat was zijn enige zekerheid (er bestond een wóórd voor zoiets, maar wat was dat nu ook alweer? Iets met zin? Een zins… zins… Verdorie!). Hoe dan ook moest hij nu ervoor zorgen dat hij deze informatie kon doorgeven. Tijd dus om wakker te worden.
+++Roerloos bleef Hákon voor het ravijn staan. Er gebeurde niets. Zijn bewustzijn werd niet door een tunnel omhooggetrokken. Hij werd niet omringd door Dumortier, Bernhard, Liesel en Magnus. Het zingen stopte niet. Nog steeds stond hij op de heuveltop, de campus achter zich, met het beest (ziet het er nu uit als een gigantische mot?) bovenop het observatorium zijn enige gezelschap. Word wakker. Niets beantwoordde zijn verlangen. De enige reden waarom de studenten niet meer wakker werden, is simpelweg omdat ze dat door omstandigheden niet konden. De herinnering aan deze woorden kwamen aan als een maagstomp. Hij liet zijn hoofd in zijn handen zakken. Nee. Nee, nee, nee, nee. Hij draaide zich om, en zocht de kamer waar zijn lichaam sliep. Achter de ramen brandde nog steeds het licht van de kaarsen en het haardvuur. Uit de schouw op het dak boven zijn bureau steeg rook op. Hij begreep er niets van. Wat was daar aan het gebeuren? Het leek erop dat hij geen andere keuze had dan zijn lichaam te bereiken en proberen te ontwaken door zijn ziel erin te forceren. Hij aarzelde. Vanaf het punt waar het wezen momenteel zat, zou het hem tenminste niet kunnen zien als hij de galerij passeerde. Doch allicht waarde dat Alfred-ding nog steeds door de gangen. Kon dat echt een probleem zijn? Hij was tenslotte onzichtbaar.
+++Desondanks welde de angst terug op, als een etterende wonde in een opengescheurde buik.

Verlangen_naar_Nieuwe_Morgen_150dpi

7

Toen hij naar de galerij was teruggekeerd (mensenlief, die dat ik die trappenhal terug ben opgeraakt mag een mirakel genoemd worden), verwachtte Hákon het achterlijf van het monster te kunnen zien dat van het observatorium bungelde. Het was nergens meer te bekennen. Maar helemaal verdwenen was het niet, want horen kon hij het nog steeds. Dat verdomde lied dat eindeloos verder dreunde. Het lijzige gebrabbel echode tot in de verste hoeken van het gebouw.
+++Het wezen mocht er dan niet meer zijn, en Alfred had hij gelukkig ook niet meer teruggezien. Niettemin zag hij meteen dat er iets grondig fout was. Nog niet halverwege de galerij, vlak voor de deur van zijn bureau, was er een dwarse muur opgerezen, die de weg volledig versperde. Wat is dit nu weer voor duivelarij? Hákon strompelde zo snel als zijn bevriezende ledematen dat toelieten naar de wand. Een illusie. Dit kon onmogelijk iets anders zijn dan een illusie. Alfred en het monster waren waarschijnlijk ook illusies. Hij plaatste zijn handen tegen de stenen (word wakker!) en duwde zo hard hij kon. Het was even solide als alle andere muren in het gebouw. Hij wilde schreeuwen. Liesel, Bernhard en Magnus om hulp roepen. Maar hij herinnerde zich Iselin, die het eerder ook had geprobeerd. Als hij schreeuwde, dan zouden ook het monster en het Alfred-ding hem horen. En voor Iselin kwam alle hulp in ieder geval te laat.
+++Een stem. Het riep zijn naam. Hákon draaide zich om naar waar het vandaan kwam. Hij zag een jonge vrouw die over de balustrade heen de galerij op klauterde. Eén van de overleden studenten!
+++‘Hákon.’ Haar stem was fel verzwakt door ongekende inspanningen die zij geleverd had. Hákon snelde haar toe en trok haar over de balustrade heen.
+++‘Gaat het?’ vroeg hij. Hij keek over de balustrade naar de muur die in het niets ophield. ‘Kom jij uit die afgrond? Zeg mij hoe je eruit bent geraakt!’
+++De studente zeeg neer als een willoze pop. Ze lag op haar buik, haar gezicht tegen de grond gedrukt.
+++‘Gaat het met je?’ vroeg Hákon nogmaals. ‘Hoe voel je je?’
+++Hij wilde bukken om haar overeind te helpen, maar dan kwam ze terug in beweging. Haar ledematen vertrokken in heftige spasmen. Deze stopten abrupt toen ze in een positie was gekomen waarbij ze haar lichaam van de grond had geduwd. Op handen en voeten kroop ze naar Hákon toe, haar ledematen in zulke bizarre hoeken gedraaid dat ze op een vierpotige spin leek. Alleen in haar vingers hielden de spasmen nog aan. Ze hield haar hoofd schuin, zodat haar ogen verticaal waren uitgelijnd. Zo keek ze Hákon met open mond aan. Verbazing was er echter niet in te bespeuren. Er was geen enkele emotie in dat gezicht te bespeuren.
+++‘Kijk, Hákon,’ ze sprak met een lijzige en monotone stem, ‘ik heb mijn ziel naar het evenbeeld van mijn lichaam gevormd! Vind je het mooi?’
+++Hákons mond ging enkele malen open en dicht voordat hij erin slaagde een enkele ‘wat?’ uit te brengen. De studente keek hem zo verongelijkt aan dat Hákon niet wist wat hij moest zeggen of zelfs denken.
+++‘En ik had nog zo mijn best gedaan!’ zei ze. ‘Hákon,’ ging ze door, ‘weldra keer ik terug naar de nevel. Ga ik opkrullen en in een zeepaardje veranderen?’
+++Hákon deinsde terug. Telkens hij achteruit ging, kroop de studente dichter naar hem toe, en ontnam hem zo de kans om afstand te creëren. Hij voelde de ijskoude stenen van de muur tegen zijn rug drukken. Langs de muur schuifelde hij zijwaarts, om zo voorbij de studente te glippen.
+++‘Waar ga je heen, Hákon?’ Hij had haar de rug toegekeerd. Hij was op weg naar het trappenhuis, waar hij via de zuidelijke vleugel de hele campus zou omlopen om de andere kant van de opgerezen muur – en de deur naar zijn bureau – te bereiken.
+++‘Ga je mij achterlaten, Hákon?’ Hij negeerde haar. Hij glipte de hoek om, de hal van de zuidelijke vleugel in, zijn hand op zijn voorhoofd. Een zonsopgang. O, wat zou ik geven voor een zonsopgang!

8

Grote ijskristallen vormden zich op de campusmuren. Hákons ledematen werden steeds stijver, net of ook hijzelf in ijs gekapseld werd. Zelfs zijn gedachtestroom leek te bevriezen. Indien herinneringen als water waren dat opgepompt moest worden, dan konden uit het dichtvriezende reservoir enkel druppels nog door de waterpijp gezogen worden. Dat de studente hem niet was gevolgd, was hem intussen al volledig ontgaan. Hij probeerde zich te herinneren hoe deze droom zo vreselijk fout is kunnen lopen. Waar hij de fatale vergissing had gemaakt die hem in deze nachtmerrie had vastgezet.
+++In het midden van de galerij van de westelijke vleugel keek hij naar de overkant. Daar zag hij de open deur naar zijn bureau. En in die ruimte Dumortier, Bernhard, Magnus en Liesel. Allen zaten zij nog steeds rond zijn eigen lichaam, een lege schim in de ligstoel, bijna onzichtbaar in de duisternis. Op de tafel, daar waar hij zijn hanger had neergelegd, zag hij een kleine schittering. Het restant van zijn ziel dat hij had afgestaan. Een klein stroompje kwam uit de waterpomp; alles wat hem herinnerde aan de nabijheid van zijn geliefden, de vriendschap, veiligheid, geborgenheid – het lag daar aan de overkant. Maar net zoals een herinnering, was het een beeld dat weliswaar opgeroepen kon worden, maar onbarmhartig buiten zijn bereik bleef door de schimmige grens van een ontoegankelijke realiteit. Hij strekte zijn hand ernaar uit. Zijn vingers vatten enkel leegte.
+++Ondertussen was Magnus naar buiten gegaan. Hij leunde met zijn handen op de balustrade en keek aandachtig heen en weer. Zou hij wat gemerkt hebben? Alsjeblieft, laat hem merken dat het mis aan het lopen is! Hoor je me, Magnus? Ik ben hier, en het gaat niet goed met me. Ik smeek het je, ga terug naar binnen en maak mij wakker! Voor één keer wenste hij dat het normaal gesproken angstaanjagende idee dat mensen zijn gedachten konden horen niet langer fantasie was. Opnieuw overwoog hij te roepen.
+++Het dak aan de overkant werd aan het zicht onttrokken door de arcades van de galerij waarin Hákon stond. Om niet uit te glijden over de bevroren vloer, had hij met zijn hand steun gezocht bij de muur (ook al was deze al even godverdomde glibberig), waardoor de zuilen, gewelven en balustrade een kader vormden die de compositie daarachter aflijnden. Niettemin werd het hem duidelijk dat het monster momenteel op het dak zat, vlak boven zijn bureau, doordat hij vanuit de hoogte drie gelede poten langzaam zag afdalen. Ze omringden Magnus, betastten zijn lichaam, gleden voortdurend op en neer. Magnus sloeg rillend zijn armen om zich heen. Eén van de poten gleed naar zijn hoofd, aaide het bijna liefdevol, tot het de ingang van zijn oor gevonden had. Sprakeloos bleef Hákon toekijken hoe de poot via de gehoorgang naar binnen gleed, en zich vasthaakte aan de ziel van Magnus. Dan begon het te rukken en trekken aan de ziel, zo gewelddadig dat het bijna er in geslaagd was deze uit Magnus’ hoofd te sleuren. Magnus zakte door zijn knieën. Doordat zijn handen nog steeds op de balustrade leunden, kon hij voorkomen dat hij tegen de grond smakte. Snel trokken de poten zich terug naar boven, uit het zicht. Een andere figuur verliet het bureau en kwam Magnus toegelopen. Het was Dumortier. Hij voelde aan Magnus’ pols, legde daarna zijn hand op zijn voorhoofd. Langzaam kwamen de poten terug in het zicht, tastend, zoekend naar Magnus. Ze konden hem echter niet meer terugvinden; Dumortier had Magnus inmiddels het bureau terug binnengeleid.
+++Hákons lichaam kwam uit een staat van verdoving. Hij klauterde de balustrade op, tuimelde bijna de diepte in doordat hij uitgleed over het ijs (word dan toch wakker!) en klampte zich vast aan een pilaar. Hij concentreerde zijn gedachten op de galerij aan de overkant. Afgrond of niet, monster of niet, hij ging de zielsprong wagen. Hij verging tot stof, en werd over de binnentuin geblazen, over de gapende, tandeloze muil van het niets.

9

Eerst was er een lichtflits. Ondanks de verblinding die gedurende een zielsprong optrad, nam hij alsnog een grote hoeveelheid licht waar. Als deze aaneenschakeling van gebeurtenissen niet zo ogenblikkelijk snel verliep, dan zou hij geloofd hebben dat de zon terug was opgekomen. Voordat die gedachte de kans kreeg om in zijn verstand open te bloeien, stootte iets keihard en met kolossale kracht tegen zijn lichaam, alsof een titaan hem frontaal met een rotsblok ramde. Het geweld van de impact slingerde hem terug naar de plaats waar hij vandaan kwam, en kort daarop kreeg zijn achterzijde ervan langs toen hij op de ijskoude stenen vloer neersloeg. De ribgewelven van de arcades zag hij dubbel, ieder evenbeeld rondtollend in de tegenovergestelde richting. Hij sloot zijn ogen, wachtte, opende ze weer, maar de draaiingen weigerden tot stilstand te komen.
+++Hákon probeerde zich op te richten. Hij was in een galerij, dat stond vast, maar dewelke? In wat voor hem een bovenmenselijke inspanning geworden was, tilde Hákon zijn hoofd ver genoeg op om tussen de balusters door te kunnen kijken. Aan de overkant van de campus zag hij het warme kaarslicht. Alle kracht vloeide uit zijn lichaam. Zijn ogen vielen dicht en zijn hoofd kwam met een smak neer op de vloer.
+++‘Hákon… Hákon.’ Hij opende zijn ogen en draaide zijn hoofd om te zien van wie deze stem kwam. Een magere jongen wrong zich tussen de balusters de galerij op. Rood haar, groene ogen, sproeten op zijn gezicht. Een druppel van zijn geheugen werd omhoog gepompt.
+++‘Lars? Ben jij dat?’ Hákon probeerde overeind te komen. Lars sleepte zich over de vloer voort. Zijn benen leken nutteloze, bewegingloze aanhangsels van zijn lichaam.
+++‘Je moeder zoekt je, Lars,’ zei Hákon, steunend op een knie. Nog steeds was hij te duizelig om recht te staan. ‘Haast je zo snel mogelijk naar Lindelheim, als je kan!’
+++‘Hákon, heb jij mijn lichaam soms gezien? Ik vind het niet meer,’ zei hij, Hákon naderend, ‘toen ik vorige nacht ontwaakte, was alles opeens zwart. Ik denk dat mijn ogen uit mijn hoofd zijn gevallen.’
+++Hákon vond zijn evenwicht en stond recht. Keek de student aan. Er klopte iets niet aan zijn uiterlijk. Het was net of iemand een portret getekend had waarvan de verhoudingen niet helemaal correct waren, dat tot leven was gekomen.
+++‘Wie ben jij?’ vroeg Hákon. De student hield op met kruipen. Hij richtte zich op om Hákon recht in de ogen te kijken, met een blik zo intens alsof hij Hákons ziel met zijn verontwaardiging probeerde te brandmerken.
+++‘Wie ben ik?’ zei hij. ‘Wie ben jij?’
+++Verdwaasd door deze wedervraag werd Hákon sprakeloos. Wie ben ik? Hij hief een arm op om naar een hand te kijken die hij niet zien kon.

10

Het verdwijnen van de duizelingen als gevolg van de klap die hij, wat hem ondertussen als een eeuwigheid geleden overkwam, geïncasseerd had, zorgde geenszins ervoor dat het gemakkelijker werd om zijn omgeving te percipiëren. Hij was in de laatste hal aangekomen vooraleer hij de oostelijke galerij zou bereiken, en de vloer, de muren, en het plafond waren allemaal afzonderlijk van elkaar aan het trillen, zo hevig dat Hákon ervan overtuigd was dat het hele gebouw op het punt stond uit elkaar te vallen. Of simpelweg te verdwijnen. Nu en dan vervaagden de stenen, oscillerend tussen Hákons wereld en één die voor zijn ogen verborgen was. De stenen voelden niet langer aan als stenen. Ze leken tot zand geërodeerd. Niet langer solide genoeg om houvast te bieden, zakte hij met elke stap zachtjes door de vloer heen en verloor hij zijn evenwicht. Hij vreesde dat, als hij struikelde, de vloer onder zijn gewicht tot pulver uit elkaar zou stuiven en hij in de afgrond eronder zou vallen. De afstand tot zijn bureau was niet lang meer, doch de hoop dat hij het zou halen – voor zover daar nog iets van overbleef – ebde langzaam weg.
+++Hij wilde geloven dat het de regen was dat hij bovenop het dak hoorde tikken. Maar boven de hal was er ook nog een zolderverdieping. De regendruppels op de dakpannen uit elkaar horen spatten was op deze plek onmogelijk. Het gebrabbel van het beest penetreerde nog steeds de ruimte rondom hem. Het was niet kletterend water wat hij hoorde, maar de talloze poten van het wezen die op de dakpannen tikten. Was het nog steeds op zoek naar hem? Of erger, achtervolgde het hem? Een nieuwe druppel wrong zich door de bevroren waterpijp omhoog; Hákon herinnerde zich de nevel die hem altijd in deze wereld verwelkomde. Die mystieke, levensschenkende nevel. Het prachtige gezang ervan. Tussen de kapotvriezende wanden en onder het gedreun van het beest was deze herinnering als het gedenken van de lente tijdens de donkerste winternacht. En terwijl hij zich dit herinnerde, vroeg hij zich af of, als er dan een lied bestond dat het leven schiep, er ook liederen bestonden die het vernietigden? Deze trillende muren, worden ze door het lied van het beest verscheurd? Wat met de studenten die ik gezien had? Alfred? Valeria? Ik herkende ze allemaal, en toch leken ze op karikaturen van zichzelf. Werden hun zielen ook verscheurd? Of is het mijn eigen waarnemingsvermogen dat verscheurd wordt? Is het deze wereld die vervaagt, of (wie ben jij?) ben ik het die wordt uitgewist? Hij klemde zijn handen stevig om zijn slapen, om zo te voorkomen dat de allerlaatste restjes verstand die hem restten uit zijn hoofd zouden lekken. Want de leegte die het achterliet, werd die immers niet ingenomen door de waanzin?
+++Het liefst van al wilde hij in elkaar duiken, zijn lot afwachtend en hopend dat het minder gruwelijk zou zijn dan hij het zichzelf voorstelde. Hij stelde zich de tanden van die vreselijke muil voor die zich om zijn ziel sloten (hij kon al bijna voelen hoe hij tussen die kaken scheurde). Bijna automatisch dwaalden zijn gedachten naar Valeria. Naar Bernhard, Liesel, Magnus en Dumortier. Naar al zijn vrienden en familie. In het licht van zijn naderende ondergang kon hij de behoefte om bij deze mensen te zijn en met hen te praten – niet meer dan dat – in al haar bitterheid op zijn tong proeven. En juist daarom was verdergaan haast even angstaanjagend als ophouden en zich aan zijn lot overgeven; voor hetzelfde geld was hij al lang gestorven (word ik daarom niet meer wakker?) en zat hij hier voorgoed vast. Wat als hij dadelijk gedwongen was vast te stellen dat alle hoop die hij in zijn ontsnapping had gevestigd een illusie was? Nee, in dat geval was verdergaan zelfs nog angstaanjagender. Desondanks bleef hij doorgaan. De enige andere emotie die, naast zijn gekmakende angst, overeind was gebleven, was namelijk zijn onbeheersbare verlangen om met de hanger herenigd te worden. Daarom, en alleen daarom, bewogen zijn stijfgevroren benen hem door het portaal van het observatorium, de grens waarachter de galerij en zijn eindbestemming lag. Een monsterachtig sterke klauw kneep zijn keel dicht. Hij durfde niet te zien wat hem voorbij de laatste hoek te wachten stond.

11

Het zien van het kaarslicht dat vanuit zijn bureau over de vloer van de galerij vloeide, was als opnieuw het eerste zonlicht zien na de poolnacht. Met hernieuwde kracht strompelde Hákon naar de deur. Binnenin bloeide zijn hoop terug open toen hij zag dat de ochtendzon in de galerij kroop en de zuilen en balustrade lange schaduwen over de vloeren muren liet tekenen. Tegelijkertijd gaf het zien van dat licht hem een vreemd, knagend gevoel. Hij kon er echter niet meer over nadenken, en hij wilde het ook niet. Zelfs het gezang was eindelijk opgehouden. De campus was achtergelaten in absolute stilte, en de geopende deur naar zijn bureau – en zijn bevrijding – waren slechts op enkele meters van hem verwijderd. En de weg ernaar was verlicht.
+++Ter hoogte van zijn bureau verschenen vanuit het niets talloze kleine lichtjes. In een oogwenk klitten ze aan elkaar, bouwden ze een menselijk figuur op. Daar stond Valeria, met de handpalmen tegen elkaar voor haar gezicht; precies in dezelfde houding waarin zij daarstraks voor Hákons ogen was verdwenen. Net of er tussen die twee ogenblikken geen moment tijd was verlopen.
+++‘Je had het me beloofd, Hákon,’ zei ze. Wat had ik haar beloofd? Wanneer? ‘En hier ben je nog steeds.’
+++‘Ik doe mijn best,’ zei hij. Zijn stem was zo ijl geworden dat hij niet zeker was of het zijn woorden kon dragen tot bij Valeria, die niet verder dan op twee grote passen van hem af stond.
+++‘Weet jij nog hoe ik ontwaken moet? Ik ben het vergeten.’ Valeria antwoordde niet. In de plaats daarvan keek ze hem aan zonder enige herkenbare emotie in haar gezicht. Maar Hákon zag dat niet. Zijn blik was naar de vloer voor zijn voeten gericht. De schaamte woog als een loden blok op zijn achterhoofd.
+++‘Help mij.’
+++‘Je draagt de hanger niet,’ zei ze. Een geluid verliet bijna onhoorbaar Hákons lippen. Misschien was het een zachte kreun. Hij schuifelde ongemakkelijk met zijn voeten heen en weer. Hij wist niet meer wat hij moest doen.
+++‘Hou je niet van mij, Hákon?’
+++Hij verhief zijn hoofd en staarde haar aan. Helemaal achterin zijn geheugen leek hij een antwoord klaar te hebben, maar het zat te ver weg om het eruit te kunnen halen. Hij kon tevens niet meer exact plaatsen of hij dit gevoel eens eerder had gehad, maar het was of er niets niet klopte aan Valeria’s uiterlijk. Haar mond leek te ver uitgerokken.
+++‘Het liefst van al,’ bracht hij uiteindelijk uit.
+++‘Weet je dan niet wat die hanger betekent?’
+++‘Alles!’ Nog voor hij benul had van wat hij zei was dat eruit geflapt.
+++‘Je lijkt er anders niet veel waarde aan te hechten.’ Hákon liet zijn hoofd terug zakken.
+++‘Het spijt me. Ik weet dat ik meer rekening met je moet houden. Het is alleen een beetje moeilijk op dit moment. Geef mij alsjeblieft nog even de tijd om dit op te lossen.’ Kom op. Ik kan beter dan dit. ‘Die hanger, weet je… Die hanger is slechts een symbool.’ Opnieuw keek hij Valeria in de ogen. ‘Wat telt is wat wij voelen. En zelfs in mijn helderste moment zal ik niet kunnen uitdrukken hoe graag ik je zie. Ik wil alleen maar bij jou zijn.’
+++Een glimlach brak Valeria’s uitdrukkingsloze gezicht. ‘Ja, laten we samen bij elkaar zijn…’ Opnieuw lachten haar ogen niet mee. En nu pas kreeg Hákon het eindelijk door dat er niet zomaar iets niet klopte, maar dat het echt grondig fout zat.
+++‘Laten we bij elkaar blijven…’ Valeria’s te brede glimlach werd nog breder. Haar ogen lichtten op, sterker en sterker, tot ze twee helwitte, schroeiende cirkels waren. Haar grijnslach ontblootte tanden die niet mooi en recht waren, maar dolken die schots en scheef uit haar tandvlees staken. Haar mond rekte onmenselijk uit, tot de mondhoeken tot naast haar ogen opkrulden. Opnieuw keek hij in het gezicht van de afgrond, alleen was deze nu niet in de duisternis gebrand, maar op het gelaat van de vrouw die zijn wereld had vervolmaakt. GA WEG! GA WEG! GA WEG! GA WEG! GA WEG! Hij probeerde zijn totaal verlamde lichaam vruchteloos tot rennen te dwingen, terwijl zijn angst transformeerde in een volkomen nieuwe emotie die de angst oversteeg – de extase van de angst – dat alle emoties, en zelfs de basisangst die Hákon tot dat punt gekend had, geheel verdelgde, en zijn verstand, als was het van glas gemaakt, met een knuppel in één gewelddadige haal aan gruis sloeg. Bewegingloos en gedachteloos kon hij enkel nog toekijken hoe zijn lot begonnen was met zich onherroepelijk te voltrekken, alsof je je in de eindeloze fractie van een seconde bevindt van een ongeval, wanneer je in de lucht wordt geslingerd, en je nog niet duidelijk weet hoe het met je zal aflopen, hoe erg je zal neerkomen, maar je enkel de zekerheid hebt dat – hoe je er ook uit komt – het pijn gaat doen.
+++Valeria boog voorover. Haar ledematen waarop ze steunde waren van vorm veranderd; helemaal uitgerokken, dun, in vreemde hoeken verwrongen. Zowel de armen als benen leken op de achterpoten van een sprinkhaan.
+++‘…VOOR EEUWIG!’ Ieder greintje menselijkheid was uit haar gebarsten, krakende stem verdwenen. Haar mond zakte open, zo ver dat haar onderkaak net voorbij haar boezem zou komen als ze haar lichaam overeind had gehouden. Daaruit schoot iets wat nog het meest op een gigantische ovipositor leek bliksemsnel op Hákon af. Ter hoogte van zijn navel sloeg het met zo’n kracht op hem in, dat zijn ziel erdoor gepenetreerd werd. Op dat punt werd hij opnieuw zichtbaar. Hij zag zijn handen, omklemd om de legbuis die in zijn buik vastzat. Hij keek op. Valeria was grotendeels opgelost in rook en gas. Het enige wat overbleef, was de ovipositor. Die liep tussen zuilen – nu omwikkeld door gelede poten – tot voorbij de arcades, waar Hákon de nevel en lichtclusters zag die vorm gaven aan het monster. Had het al die tijd aan die muur gehangen? Had het zich als een jager pas zichtbaar gemaakt op het moment dat het zijn prooi te grazen had genomen? Het gezicht van het monster kon Hákon niet zien door de zon die erdoor scheen. Of nee, het was niet de zon achter het wezen dat hij zag. Helemaal niet. Het was dat vijfde oog, dat tot een spleetje geopend was. Met de legbuis pompte het licht in Hákons ziel, dat zijn eigen inhoud verdrukte. Hij voelde hoe zijn eigen wezen op misselijkmakende wijze omhoog werd gestuwd. Hákon kokhalsde, klapte dubbel, en braakte een niet identificeerbare stof uit die noch echt vloeibaar noch echt gasvormig was, en even zwart als het duister waarin hij deze dag één ogenblik te lang had gestaard. Iets hield hem bij de haren vast en voorkwam dat hij voorover met zijn gezicht in de donkere brij zou vallen, dat zich met de stenen vloer vermengde, het als een zuur oploste, en een ondoorgrondelijk duistere leegte achterliet.
+++Het wezen trok de legbuis terug. Hákon voelde overal op zijn lichaam klauwen die hem optilden. Ze voerden hem mee tussen de arcades, boven de afgrond waar – toen de dag er nog onschuldig uitzag – de binnentuin was geweest. Op het moment dat zijn ziel in aanraking kwam met de nevel waaruit het wezen bestond, vloeide het bewustzijn van beiden in elkaar over. Hákons verstand werd verpulverd door een toevloed van kennis, zo exuberant in omvang dat prompt zijn bewustzijn bevroor. Nieuwe indrukken kon hij niet langer verwerken. Hij kon enkel nog waarnemen zonder te interpreteren, en zijn geheugen werd geheel uitgewist. Hij vergat wat er zonet plaatsgevonden had. Wat voor gebouw hij voor zich zag, hij was het vergeten. Al wat hij daar gedaan had, ook dat vergat hij. Zijn hoop, dromen, angsten, vrienden en geliefden, hij herinnerde het zich niet meer. Alles was hij vergeten, ook zijn eigen naam.
+++Nu zijn verstand ten langen leste was ondergegaan, bloeide een ander soort bewustzijn in hem open: zien kon hij niet langer, maar hij voelde de aanwezigheid van vier anderen nabij hem, die allen wachtten tot de vijfde in hun gezelschap ontwaakte. Hij voelde een bijzonder verlangen om met die slapende vijfde herenigd te worden. Hij werd de nabijheid gewaar van een ontzaglijk machtige entiteit, alsmede de zekerheid dat dit godbeest eveneens zijn begeerte voelen kon.
+++Niemand zou ooit te weten komen wat er zich deze nacht op de universiteit van Lindelheim juist had plaatsgevonden, daar voorbij de grenzen van de fysische realiteit. De opkomende zon was begonnen met de nacht te verjagen. Weldra zou Hákon ontwaken, en daarmee zou een geheel nieuwe morgen beginnen…

Verlangen naar een nieuwe morgen verhaalt het begin van een geschiedenis die ongeveer vierhonderd jaar later zal leiden tot het verhaal wat ik in een boek wil beschrijven en Het Hart van God zal heten, tot ik een betere titel vind.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s