De hemel is er voor iedereen: eerste paragraaf

En hier is de eerste paragraaf van een boek dat ik aan het schrijven ben, getiteld De hemel is er voor iedereen. Het gaat over een achtjarige jongen, die hem wordt wijsgemaakt dat de wereld zal vergaan doordat de maan op de aarde zal vallen. De jongen laat zich door dit verhaal meeslepen, en binnenin de grenzen van zijn intellect en inbeeldingsvermogen zal hij op zoek gaan naar een oplossing om dit lot te voorkomen, zich er niet van bewust dat het hele wereldbeeld dat hij opbouwt en het leven dat hij leidt gebaseerd is op een verzinsel.

Noot: de onafgewerkte staat van het boek indachtig houdend dient deze tekst gezien te worden als klad, dat dus, met andere woorden aan veranderingen onderhevig is.

 


 

Ik ga al een eeuwigheid mee, zoveel langer
Dan u met uw sleetse manieren, uw kleren
Van dames en heren. Ik ren voor u uit
Met mijn ratel, mijn raadsel, ik ben u te snel.
U raakt mij sinds mensenheugenis kwijt.

­— Leonard Nolens, Zeg aan de kinderen dat wij niet deugen (Querido, 2011).

 

 

Die nacht had ik gedroomd dat de maan op de Stad was gevallen.
+++Die ochtend rende ik de heuvel op om te zien of dat écht gebeurd was. Want ondertussen was de maan al uit de hemel verdwenen. Omdat het opnieuw dag was? Of omdat ze niet langer daarboven in het firmament zweefde, maar hier beneden in een krater op aarde lag? De aanblik van de verwoesting van de Stad — en van de hele planeet die daar spoedig op zou volgen — was een horreur waarvan ik wist dat ik die nooit verdragen zou kunnen, en toch moest ik het absoluut weten, het antwoord op de vraag of de prelude van onze ondergang ten langen leste was ingezet. Als dat zo was, als de maan inderdaad eindelijk op de aarde gevallen was en daarginds uit het stof van de verpulverde Stad wegrolde, dan zou ik, misschien, als ik geluk had, sterven van angst; een genadeklap die mij de ervaring van het einde van de wereld zou besparen. Of ik zou geluk hebben; ik zou niets bijzonders zien als ik bovenop de heuveltop uitkeek over de Oude Landen en de Stad die daarachter lag. Alles zou er nog steeds uitzien zoals het er altijd had uitgezien. De rest van vandaag zou een feest zijn, omdat we nog even verder mochten gaan, omdat ons nog minstens één dag respijt geschonken werd. Beide mogelijkheden bevielen mij beter dan thuis te zitten in het ongewisse. Dus ik rende de heuvel op.
+++Tot die ochtend had het geleken alsof je telkens op één twee drie bovenaan de top stond. Hoog — laat staan imposant — was de heuvel niet. Het uitgestrekte zicht was veeleer te danken aan de ligging van het gehucht waarin ik woonde ten opzichte van de Oude Landen, het reusachtig dal, met in het midden daarvan de Stad, omringd door heuvelgordels waarop dit gehucht gebouwd was, als laatste grenspost van de beschaving waarvoorbij het eeuwige niemandsland begon. De heuvel in kwestie, die groene knol die ik momenteel beklom, was een bescheiden uitstulping van de aardbol, een bobbel bovenop een heuvel die nog net dat iets weidsere uitzicht bood, ongehinderd door de bomen die aan de voet ervan stonden. Van de oudere buurtbewoners wist ik dat die de Donk heette. De Donk, dat klonk alsof hier tijden geleden een reus was langsgekomen en met zijn kolossale knuppel op de aarde had geslagen, donk!, zodat het er een bult op was gegroeid. Daarom noemde ik de Donk liever gewoon de heuvel. Dat prikkelde minder de fantasieën die op gelijk welk ogenblik in mijn verstand begonnen huis te houden, zich er niets van aantrekkend of zij welgekomen dan wel ongenode gasten waren.
+++Ik klauterde dus die heuvel op, nog steeds klom ik, zoals ik al eerder zei stond je daar telkens op één twee drie vanboven, doch de seconden van die klimtocht werden tot het eindeloze uitgerekt. Het was de verwachting, de spanning, de angst om je ultieme vrees voor je ogen bewaarheid te zien worden, die de tijd vertraagde, die uitstel eiste met zo’n overrompelend, dwingend getier dat Chronos niet anders kon dan zwichten.
+++Sinds ik hierover gehoord had, over het einde van de wereld, had ik geprobeerd die angst van me weg te duwen, ze te laten verdrukken, door me zoveel mogelijk gedachten te laten koesteren die daar niets mee te maken hadden. Echter hoe meer ik de angst probeerde te beteugelen, des te meer ze losgeslagen werd, als een wild dier dat steeds gewelddadiger om zich heen begon te stampen in een poging zich te bevrijden, tot ze nu ook al mijn dromen kwam binnengedrongen, weken of zelfs maanden nadat Pauline me erover verteld had. Pauline, mijn buurmeisje, Pauline, die vijf jaar ouder was dan ik, Pauline, die op de middelbare school massa’s leerstof studeren moest, Pauline, die daardoor ontzettend veel over de wereld wist, Pauline, die in het bijzonder ontzettend veel wist over zaken die volwassenen kinderen achterhielden. Zoals bijvoorbeeld hoe de grote finale der aarde eruit zou zien.
+++Het zou beginnen met de maan die in botsing met de aarde komt. Door het onnoemelijk geweld van deze botsing zou de aarde uit haar baan rondom de zon geslingerd worden. Volgens haar kon dat slechts twee dingen betekenen: ofwel gingen we te ver weg van de zon en zou alle leven op de planeet bevriezen, ofwel kwamen we te dichtbij en zouden we allen verbranden. ‘Wanneer gaat dat dan gebeuren,’ had ik haar gevraagd, ‘dat kan echt elk moment gebeuren, Guusje,’ had Pauline mij daarop toegebeten. Pauline, die altijd kregelig werd als ik haar om enige geruststelling verzocht, Pauline, die consistent mijn naam verkleinde, alsof mijn bestaan op zich een verkleinwoordje was.
+++En sindsdien was ik begonnen met de dagen te tellen, als herinnering aan de tijden dat de wereld nog levend en wel was, wensend om een manier te vinden waarop ik een lus in de tijd kon creëren zodat die zorgeloze dagen van weleer zich eeuwig zouden herhalen. Op andere dagen sloeg ik de bladzijden van de keukenkalender om naar de toekomst, mezelf afvragend of wij die datum dan al niet verbrand zouden zijn. Of bevroren. Ik kon maar niet beslissen op welke manier ik het liefst niet graag wilde doodgaan.
+++Ik wist op dat punt ook niet eens meer of ik de heuveltop wel écht wilde bereiken. Echter zag ik ondertussen aan mijn voeten de wortels van de eenzame wilgenboom die bovenop de heuvel stond. Geen treurwilg, wiens takken en bladeren met betoverende neerslachtigheid omlaag dropen, maar een schietwilg, die trots over de wereld uitkeek, als een hoeder, klaar om gelijk welk kwaad in de wereld terstond tegen te houden. Ik hoefde mijn onwetendheid niet lang meer uit te houden, en als ik daarboven het slechte nieuws zou aanschouwen, dan deed ik het tenminste terwijl ik onder de beschermende takken van de wilgenboom stond.
+++Mijn ogen raasden over het panorama heen, naarstig zoekend naar de maan die daar, volgens mijn droom, zou liggen. Ze raasden over de vallei, ze reducerend tot een ruwe schets van lichte en donkere vegen. Ze raasden over de rivieren, strepen die in kleur varieerden van donkergroen naar blauw naar oranje, besprenkeld met felgele spikkels. Ze raasden over de Stad, een veeg die afstak tegenover de rest van deze landschapsimpressie. Maar datgene waar ze naar zochten, werd niet gevonden. Er was geen maan.
+++En dan pas, terwijl de angst begon uit te doven om vervolgens langzaamaan vergeten te worden, verscherpte mijn blik en herinnerde ik me het panorama te bekijken zoals het werkelijk was: ik zag de vallei, in het licht van de ochtendzon die lange schaduwen in het landschap tekende. Ik zag de rivieren die van de heuvels naar het meer in het centrum van de vallei stroomden, waarin datzelfde licht fonkelde. Ik zag de Stad, dat als een fort in het midden van dat meer stond, statig de natuurkrachten trotserend, en in die strijd geheel ongeslagen was gebleven. Dan pas, wanneer de angst ophield mijn zenuwen te teisteren, voelde ik de warme ochtendwind die in mijn gezicht blies. Wanneer haar liederen over de verwoesting van onze levens niet langer in mijn oren gonsden, hoorde ik de zomermuziek van ruisende bladeren, tjirpende krekels en zingende vogels.
+++Ik wilde meezingen en dansen, om ons voorlopige voortbestaan te vieren. Ondanks die uitbundige kracht die door me heen stroomde, hield ik me stil. Om me ten volle te concentreren op dit moment, op dit gevoel waarbij de angst in een donker hoekje was verdwenen, zodat ik me later zou kunnen herinneren hoe het was om niet bang te zijn. Doch helemaal weggaan zou die angst nooit. Nooit, op geen enkel moment, zou ik de waarheid volledig kunnen vergeten dat wij ooit, op een dag, allemaal zullen sterven. Maar niet vandaag.
+++Vandaag zullen we overleven.

4 gedachtes over “De hemel is er voor iedereen: eerste paragraaf

    1. Ik weet het, je bent niet de enige die het had gezegd. 🙂 Een overblijfsel van een eerste versie, waarin gespeeld met ‘vannacht’, ‘vanmorgen’, en ‘vandaag’. Ik zal het in een later, algemeen nazicht aanpassen, de kans bestaat dat die zin er heel anders zal gaan uitzien.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s