Aan alle mensen die ik niet gezien heb toen wij elkaar onderweg tegenkwamen

Mocht ik turven welke klacht kennissen en vrienden mij het meest voor de voeten werpen, dan is dat ongetwijfeld de volgende: ‘Awel? Ik had u deze ochtend op straat gezien. En gij negeerde mij. En ik maar zwaaien. Ik had zelfs hallo geroepen en dan nog keekt ge niet op, asociale tist!’

U leest het, en misschien heeft u het al ondervonden: als ik u op straat tegenkom, is de kans groot dat ik u niet zal opmerken, hoezeer u ook naar mij staat te roepen en zwaaien. Ondertussen heb ik hieromtrent genoeg klachten opgestapeld om er een klachtenkasteeltje mee te bouwen, of kom, om er een blogbericht aan te wijden. Akkoord, wellicht kun je dit bezien als een gemakzuchtige verontschuldiging naar iedereen die ik recent of in een verder verleden, en kom, laten we in het kader van zelfkennis ook maar ineens de nabije en verre toekomst erbij sleuren, genegeerd heb of zal negeren. Het was onopzettelijk, ik zweer het u, en het zal onopzettelijk zijn. (Hier en daar een uitzondering voor de occasionele eikel daargelaten. In dat geval verkies ik om zo ostentatief mogelijk te negeren. Om een boodschap duidelijk te maken. De occasionele eikel in kwestie begrijpt die boodschap vrijwel nooit. Ik ben opgehouden mij daarover te verbazen.)

Maar dit bericht is vooral een verzoek om mij alstublieft te begrijpen. Of om dat toch te proberen, tenminste. En om u vooral niet slecht te voelen mocht het uzelf overkomen of overkomen zijn.

Met mij zit het namelijk zo dat, terwijl ik mezelf van punt a naar b verplaats, ik wel zintuiglijk waarneembaar ben, doch verstandelijk zwerft mijn geest ergens rond in één of ander spectraal universum parallel aan het onze. Soms denk dan ik bijvoorbeeld aan wat ik bij aankomst zal zeggen en doen. Soms aan een verhaal dat ik aan het schrijven ben of in de toekomst wil schrijven. Aan deze blogpost, bijvoorbeeld. Soms haal ik leuke herinneringen op en denk ik aan kennissen en vrienden. Soms ook minder leuke herinneringen. Soms speel ik liedjes af die op dat moment in mijn hoofd zitten. Altijd gebeuren die dingen bijna allemaal tegelijkertijd.

Wat die liedjes betreft, laatst had ik een artikel gelezen waarin stond dat men, terwijl u dit leest, technologie ontwikkelt waarmee je liedjes kan afspelen die op dat moment in je hoofd zitten. Handig om niet de hele tijd aan je speler te moeten frutselen en friemelen om de “next”-knop te vinden. +++Maar wat ik mij dan weer afvraag is hoe het dan moet als je de godganse dag met een regelrecht snertnummer in je hoofd zit dat veel te catchy is om eruit te krijgen? Zo luistert mijn teerbeminde collega Fronske de voetbalhooligan* naar onliederen die het best te omschrijven zijn als een satanisch huwelijk tussen gabber hardcore en schlagermuziek. Amper drie seconden daarvan hoeft hij door de werkplek te blèren en het kwaad is geschied; het refrein, bestaande uit twee noten, klinkend alsof het gecomponeerd, gearrangeerd en uitgevoerd werd door een peuter die met één enkele wijsvinger op een budgetsynthesizer van de Aldi ramt, zit voor immer in mijn geheugen gegrift. Ik durf me de horreur niet voor te stellen van op wandel te gaan met dat technologisch snufje dat te pas en vooral te onpas zulke muziek begint af te spelen, puur omdat je het ongeluk had er per abuis aan te denken.

Dat is bijvoorbeeld zo één van de dingen die ik overpeins terwijl ik u aan het negeren ben.

De persoon die er afgelopen periode het hardst van mijn negatie had langs gekregen is mijn buurman. Iedere dag fiets ik naar de stad, naar de universiteitsbibliotheek, om daar aan mijn boek te schrijven. De onhandigheid ervan is dat die bibliotheek voor en tijdens de examenperiode tot 17.00u voorbehouden is aan studenten en academisch personeel. Met andere woorden, als ik voor dat tijdstip mijn krent op één van die stoelen laat neerzijgen, dan zal ik binnen de kortste keren door het UA-personeel met bezems, rieken en toortsen het gebouw worden uitgejaagd. Een vernedering die ik mezelf gaarne wil besparen. Daarom arriveer ik pas om 17.00u in de bib. Ten vroegste. Tegen die tijd stopt mijn buurman met werken. U voelt hem wellicht al komen: vrijwel elke dag kruisen onze wegen. Uiteraard was ik mij daar de eerste vijf keren niet van bewust. Totdat de buurvrouw haar beklag kwam doen. ‘Zeg, mijn man zegt dat hij u altijd ziet en dat hij altijd naar u zwaait, en gij zwaait nooit of zegt nooit iets. Heeft die mens u soms iets misdaan, misschien?’

Daarom had ik mezelf plechtig voorgenomen vanaf die dag hartstikke alert te zijn op mijn fiets, zodat ik iedereen de aandacht zou geven die ze verdienen. Alleen had ik toen geen rekening gehouden met een andere tekortkoming van mijn verstand: mijn erbarmelijke vermogen tot gezichtsherkenning. Zo had ik afgelopen klimaatmars weer van jan gehad. Ik meende daar een persoon enorm te herkennen die ik sinds lange tijd niet meer gezien had. Ik stond op punt de persoon in kwestie een bericht te sturen, iets in de strekking van HE, DIE JONGEDAME DAAR AAN DE FONTEIN VOOR HET STATION BRUSSEL-NOORD, OP DE KLIMAATMARS, BEN JIJ DAT ZO HEEL TOEVALLIG? Uiteindelijk had ik dat toch maar gelaten. Dat de persoon aan wie ik dacht niet eens Belgisch was, leek mij een vrij sterk argument dat zij het niet geweest zou zijn. Toch stond ik daar compleet van de kaart te wezen, daar aan die fontein voor het station Brussel-Noord, op de klimaatmars. En de jongedame draaide zich op een bepaald punt naar mij en bleef in die houding een tijdlang in mijn richting staren. Of dat te maken had met het feit dat zij het inderdaad wél was en mij ook herkende, of om gewoon de staring contest met mij aan te gaan — die zij overigens op weergaloze wijze gewonnen had — zal een eeuwig mysterie blijven.

Tenzij ik natuurlijk haar een bericht stuur met de vraag HE, DAAR AAN DE FONTEIN VOOR HET STATION BRUSSEL-NOORD, OP DE KLIMAATMARS, EEN WEEK GELEDEN, WAS JIJ DAT ZO HEEL TOEVALLIG?

Enfin, ik was dus onderweg naar de universiteitsbibliotheek van de UAntwerpen. En wie zie ik daar in de verte naderen, jawel, bijgod, niemand minder dan de buurman! Laaiend stak ik mijn hand op, zei iets in de trant van HEY JOE DAG HE! En terwijl de man voorbij kwam gesjeesd, hoorde ik hem een vertwijfelde what. the. fuck. mompelen. En dan pas daagde het me dat die tegenligger helemaal niet op mijn buurman leek.

Dit soort problemen houden evenmin op wanneer ik ten langen leste in de bibliotheek arriveer om in alle rust te werken; in plekken waar veel mensen samenkomen, is het haast onvermijdelijk dat er aantrekkingskracht ontstaat tussen twee individuen. Zo was het mij ook vergaan. +++Terwijl ik aan het schrijven was, werd ik me ervan bewust dat een studente mij herhaaldelijk zat aan te kijken, tot het over haar schouder heen kijken bij het langslopen toe. Kwam daarbij dat zij was een schoonheid was waarvoor stervelingen op hun knieën vallen om de Schepper in de hemel te danken en lofliederen aan het leven af te steken. Om maar te zeggen dat ik haar wel leuk vond. +++Op dat moment gebood mijn verstand mij op te staan, op haar af te stappen en haar aan te spreken. Tezelfdertijd wordt ik bij zulke confrontaties, die van wederzijdse interesse, echter steevast lam geslagen door een angst van fobische proporties, een erfenis van mijn opvoeding waartegen geen enkel therapeutisch kruid gewassen lijkt. (Maar zeg toch niet dat ouders hiervoor enige verantwoordelijkheid kunnen dragen. Van alle denkbare taboes sinds mensenheugenis is die van de ouderlijke feilbaarheid de meest onuitsprekelijke. Dat zie je immers aan al die jonge ouders, die elkaar met de nodige bombarderie verklaren tot de beste papa of mama ter wereld, waardoor de hele aardbol overspoeld wordt door legioenen beste mama’s en papa’s ter wereld.) +++‘Ja maar, iedereen is wel enigszins bang als men kennis gaat maken met een interessant persoon,’ vertelt men mij dan. Dat zal ik nooit betwisten. Alleen bezit ik voldoende irrationele angsten om de vergelijking te kunnen maken en te bevestigen dat dit over méér gaat dan een doordeweeks bangigheidje: indien u aan arachnofobie lijdt, google dan maar eens plaatjes van een valdeurspin, en besef dat, terwijl je staart naar het krachtigste argument waarom God niet bestaat, je op dat moment voelt wat ik voel als ik in een situatie van een wederzijdse coup de foudre, of zelfs verliefdheid verzeild raak. De liefde is een monsterlijke pracht. Voor mij geldt die uitspraak des te meer.

Onvermijdelijk verlaat zij op een bepaald punt de bibliotheek, en zit ik nog steeds aan mijn stoel gekleefd alsof het ding onder hoogspanning staat. Maar ik zal me herpakken. Een belofte plechtiger dan alle onzin die ik op mijn beide communies heb uitgekraamd: ik zal doorzetten en door mijn angst heen bijten. Morgen is er nog een dag. Morgen zullen de bibliotheekgangers hun werk van vandaag verder zetten. En als er inderdaad sprake van werkelijke interesse geweest is, dan zal zij wederom aanwezig zijn, om te zien of ik daar ook nog steeds ben. En ik zal er zijn, en ik zal haar deze keer in de ogen kijken, glimlachen en haar begroeten. Dat is althans de levensles die alle rom coms ons proberen op te spelden.

De volgende dag arriveer ik in de bibliotheek, en stel ik nondedju vast? In mijn fixatie om die ene vrouw terug te vinden, lijken plotseling zowat alle aanwezige studentes op haar. Des te langer ik rondkijk, des te groter de verwarring wordt: zij had toch rode haren? Of waren ze nu bruin? Is ze gisterenavond naar de kapper geweest en is haar ganse coiffure — mijn primaire herkenningspunt in anderen — in iets anders getransformeerd? Ik zie een studente naar mij kijken, en ik vermoed dat zij het inderdaad is, en ik glimlach en ik knik. Maar zij kijkt mij aan alsof ik drager ben van een uiterst besmettelijke en buitengewoon dodelijke ziekte. Had ik mij dan toch vergist? Ik staak mijn pogingen om het te begrijpen en concentreer me verder op de enige stabiliteit in mijn wereld, de verhalen die ik verzin.

Leven met dit verstand, eenvoudig is het niet. *Fronske is een gefingeerde naam. Omwille van zijn privacy, maar vooral omdat ik het persoonlijk de naam meer passend vind. Zijn hobby die zijn primaire vrijetijdsbesteding vormt, is niet verzonnen. Tenzij Fronske een man van de straffe verhalen is. Want straffe verhalen schudt Fronske aan de lopende band uit zijn mouw. Niemands leven is zo edgy als dat van Fronske.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s